Saturday, 18 April 2009

Sombere berichten

Zes maanden na de bancaire reddingsoperaties die de wereld geruime tijd deden leven tussen hoop en vrees, klinken er twee verschillende geluiden in het debat over het verdere verloop van de economische crisis. Het ene kamp richt zich vooral op de korte termijn. Op basis van de enigszins herstelde aandelenkoersen komt men tot de conclusie dat we het ergste alweer achter de rug hebben. Onze eigen minister van Financien, Wouter Bos, deed daar bijvoorbeeld aan mee toe hij tijdens de recente G20 top in Londen verklaarde “voorzichtig optimistisch” te zijn over de kans op snel economisch herstel.

Het andere kamp is een stuk pessimistischer. In dit gezelschap vinden we vooral de centrale banken. De Spaanse Centrale Bank had deze week bijvoorbeeld een sombere boodschap voor de Spaanse politieke klasse. Er zou geen ruimte meer zijn voor aanvullende bestedingsprogramma’s om de economie er bovenop te helpen. Ofwel: het geld is op. Het volgde op een eerdere gelijksoortige uitspraak van de gouverneur van de Britse Centrale Bank, Mervyn King. Die wees een paar weken geleden al op de omvangrijke begrotingstekorten van de Britse overheid en waarschuwde dat “ce fiscale positie van het Verenigd Koninkrijk nu niet zo is dat we kunnen zeggen: ‘Kom, waarom gaan we niet nog eens een ronde van stimuleringsprogramma’s uitvoeren’.” Onze eigen Centrale Bank zegt (nog?) niets over de oplopende begrotingstekorten. Bij monde van directeur Nout Wellink waarschuwde de Bank onlangs wel dat we moeten waken voor misplaatst korte-termijn optimisme. Wellink wees vooral op de stijgende werkloosheid, volgens hem ‘het grootste probleem van de huidige crisis’.

Ik ben geneigd de pessimisten vooralsnog gelijk te geven. Natuurlijk, de huidige opleving op de aandelenmarkten is zonder meer prettig. Maar op langere termijn blijven dezelfde fundamentele problemen bestaan. De wereldhandel is bijvoorbeeld totaal ingezakt en zal dit jaar waarschijnlijk met ongeveer 9 procent krimpen. En ondanks de duizenden miljarden dollars extra die de Amerikaanse Federal Reserve in omloop heeft gebracht, werd deze week bekend dat het prijspeil in dat land toch is gedaald. Daarmee zijn verdere interventies onvermijdelijk geworden. Deflatie toestaan zou immers rampzalige gevolgen kunnen hebben. Consumenten gaan bestedingen uitstellen omdat de prijzen volgende maand nog aantrekkelijker zijn dan die van vandaag. En omdat schulden anders dan inkomens niet mee krimpen, zullen veel mensen in betalingsproblemen komen. Nog een ronde van betalingsproblemen kan de wereldeconomie zich momenteel echt even niet veroorloven. Vandaar dus de enorme wereldwijde, gecoördineerde kredietinjecties van de afgelopen zes maanden. Het nadeel van deze kredietinjecties is echter dat ze op zeker moment weer uit de geldstroom weggepompt moeten worden, omdat anders onvermijdelijk hollende inflatie gaat optreden. Net op het moment dat de wereldeconomie weer aantrekt (tweede helft volgend jaar, als het meezit), zullen de centrale banken dus aan de noodrem moeten trekken. Zo zwalkt de wereldeconomie onvermijdelijk van recessie via tijdelijk herstel naar een volgende recessie.

Ik wou dat ik het leuker kon maken, maar de feiten zijn wat ze zijn. Het herstel van vandaag zal maar van korte duur zijn. Geniet er dus maar van, zolang het nog kan.

Deze column verscheen op 18 april 2009 in De Telegraaf

Friday, 10 April 2009

Socialisme met een christelijk sausje

Dit essay schreef ik een paar jaar geleden in opdracht van HP/De Tijd. Het werd uiteindelijk niet gepubliceerd (door omstandigheden wist ik er pas ruim na de deadline de laatste hand aan te leggen), maar vanwege een discussie over hetzelfde onderwerp op De Dagelijkse Standaard heb ik besloten het vandaag alsnog op dit blog te zetten.


Tijdens de verkiezingscampagne van 1986 werd er serieus rekening mee gehouden dat het zittende kabinet van CDA en VVD zijn parlementaire meerderheid zou gaan verliezen. Hier en daar werd geopperd dat er misschien toch een mogelijkheid zou zijn om de coalitie in het zadel te houden, namelijk door haar te verbreden met de kleine rechtse partijen SGP, GPV en RPF. PvdA-voorman Joop den Uyl boorde deze plannen uiteindelijk nog voor het eind van de campagne op effectieve wijze de grond in. De gevallen gereformeerde Den Uyl sprak smalend over een “Staphorster variant”, daarmee suggererend dat Nederland met het aantreden van een dergelijke coalitie zou worden teruggebracht naar het tijdperk van boerenkarren en domineesdictatuur.

Twintig jaar later heeft niemand het nog over Staphorst. Dat heeft ongetwijfeld voor een deel te maken met het feit dat de electorale en ideologische verschillen tussen links en rechts inmiddels zo klein zijn geworden dat om iedere stem wordt gevochten, zelfs die van de kiezers van de kleine Christelijke partijen. Zo mogen we het meemaken dat VVD-leider Rutte opbiecht dat hij iedere avond voor het slapen gaan een gebedje prevelt en dat de voormalig Maoïstische SP de voormalige jezuïet Huub Oosterhuis uitnodigt om het partijcongres te komen toespreken over het belang van typisch christelijke waarden als sociale gerechtigheid en hogere overheidsuitgaven voor zorg en onderwijs. Dat laatste heeft natuurlijk meer met de agenda van de SP dan met het Christelijk geloof te maken, maar de boodschap is duidelijk: ook bij de SP zijn Christenen welkom, wat heet, Oosterhuis mag er zelfs als lijstduwer optreden.

De belangrijkste reden voor het ontbreken van een anti-Staphorst sentiment is echter dat de kleine Christelijke partijen in Den Haag allang niet meer melaats zijn. Anders dan de vele splinterpartijtjes worden ze in het debat volkomen serieus genomen. In 2003 mochten ze zelfs aanschuiven bij informateur Donner, ook al was feitelijk al bij voorbaat bekend dat de voorkeur van zowel VVD als CDA uitging naar D66. De gesprekken maakten echter wel duidelijk dat klein Christelijk inmiddels gewoon meeteelt in de coalitieberekeningen.

Dat geldt dan vooral voor de ChristenUnie. Die partij timmert ook in andere opzichten behoorlijk aan de weg. Met de voormalige Yorin (tegenwoordig EO) presentator Arie Boomsma als campagneleider en de mediagenieke André Rouvoet als boegbeeld heeft men in één keer het gat naar de 21ste eeuw weten te dichten. Op http://www.stemrou.nl/ wordt de jeugdige kiezer zelfs met een lekker rapdeuntje opgeroepen op de grote leider te stemmen: “Als je wilt dat je stem gehoord wordt, als je verlangt naar een eerlijk antwoord, stem Rou, stem Rou!” De campagne lijkt twee verschillende doelen te dienen. In de eerste plaats wordt ook de niet-christelijke kiezer opgeroepen serieus te overwegen zijn stem aan de ChristenUnie te geven. Daarnaast moet de moderne aanpak helpen duidelijk maken dat de Christelijke fusiepartij Staphorst ontgroeid is en klaar is voor het grote werk. Rouvoet wil meeregeren, en hij steekt dat niet onder stoelen of banken: “Er zijn maar weinig partijen als wij die - als derde deelnemer - een toekomstige coalitie een stabiele basis kunnen geven in het parlement.” In gedachten heeft hij zijn partij dan ook al een sleutelrol toebedeeld bij de komende formatiebesprekingen.

Deze openhartigheid over het verlangen naar het pluche leidde tot opvallend stevige reacties ter rechterzijde. CDA-bewindsman Joop Wijn sprak smalend over ‘Rooie Rouvoet’. VVD-leider Mark Rutte waarschuwde dat hij geen been zag in een coalitie met de ChristenUnie omdat die partij volgens hem “veel te links” is. Nu wil deze rechtse kritiek op zich nog niet zeggen dat de Staphorster variant ook ditmaal weer voortijdig van tafel zal verdwijnen. Dit zijn immers verkiezingstijden, en in zulke omstandigheden moet men zich nu eenmaal omwille van het electorale gewin af en toe wat duidelijker uitdrukken dan strikt gesproken rechtvaardig is. Toch is er wel degelijk reden voor Rouvoet zich deze woorden aan te trekken.

De afgelopen jaren is de ChristenUnie onder zijn leiding immers ontegenzeggelijk in links vaarwater beland. Het maakt zijn partij nu niet meteen een voor de hand liggende coalitiepartner voor de zittende minderheidsregering van CDA en VVD. Zelf wil hij dat overigens absoluut niet accepteren: “Wie de moeite zou nemen om het stemgedrag van pakweg de laatste vijf jaar te analyseren, zou constateren dat de bewogenheid met degenen die het zonder een helpende hand niet redden (asielzoekers, sociaal kwetsbaren, chronisch zieken en gehandicapten) en de zorg voor Gods schepping voor de ChristenUnie altijd belangrijke aandachtspunten zijn geweest.” (André Rouvoet, ‘Verlinksing ChristenUnie is slechts schijn’, Reformatorisch Dagblad, 20 januari 2004). Maar zo gemakkelijk komt hij er toch niet mee weg. Onderzoek naar het parlementaire stemgedrag van de nieuwe fusiepartij, bijvoorbeeld door het Reformatorisch Dagblad in 2004, laat duidelijk zien dat de ChristenUnie op het gebied van asielbeleid, sociaal-economische zaken en milieu vrijwel altijd met de linkse oppositie meestemt. Sinds 2004 heeft de partij zich vooral op het gebied van immigratie en uitzettingsbeleid nadrukkelijk geprofileerd als een progressieve criticaster van het regeringsbeleid. Het absolute dieptepunt wat dat betreft de recente vergelijking door het ChristenUnie kamerlid Tineke Huizinga van uitzettingen van uitgeprocedeerde asielzoekers met jodentransporten tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Rouvoets keuze voor “de laatste vijf jaar” als ijkpunt was overigens niet geheel toevallig. De ChristenUnie van nu onder André Rouvoet wijkt inderdaad weinig af van de RPF van het begin van dit decennium onder de toenmalige leider Leen van Dijke. Maar een vergelijking op langere termijn geeft een heel ander beeld te zien. De voorgeschiedenis van de RPF vangt aan met de oprichting in 1966 van het Nationaal Evangelisch Verbond. Deze club, die bestond uit ontevreden leden van ARP en CHU, maakte zich zorgen over de toenemende verlinksing (vooral binnen de ARP) en de verwatering van het Christelijke gedachtegoed binnen beide partijen. Aanvankelijk vond zij onderdak bij het GPV, maar voorstellen voor een fusie van beide organisaties werden door de GPV-achterban in 1972 om religieus-doctrinaire redenen afgewezen. De NEV ging op zoek naar een ander politiek platform. Die zoektocht leidde in 1975 tot de oprichting van de Reformatorische Politieke Federatie (RPF), een samenwerkingsverband van de NEV met afsplitsingen van behoudende leden van zowel ARP als ARP-jongeren.

Vanaf het moment dat de nieuwe partij in 1981 haar debuut maakte in de Kamer, werd zij door politieke commentatoren steevast bij de beide andere kleine christelijke partijen, GPV en SGP, ingedeeld. ‘Klein rechts’, zoals het destijds werd genoemd, onderscheidde zich vooral door pleidooien voor een sterke defensiemacht, uitgesproken anticommunisme en onvoorwaardelijke steun aan het Koningshuis – zaken waarmee men ter linkerzijde bepaald geen vrienden maakte. Wanneer het ging om sociaal-economische zaken, bleek de partij echter ook op dat moment al een streepje links van het midden te zitten. Dat gold in nog sterkere mate voor de GPV, die van oudsher vanuit het besef van een van God gegeven ‘cultuuropdracht’ voor de overheid een belangrijke rol weggelegd zag bij het bewaken van scheppingsorde en samenleving.

Het feit dat beide partijen in de jaren tachtig ondanks deze linkse economische en ecologische standpunten toch steevast met de term ‘klein rechts’ werden aangeduid, had vooral te maken met het feit dat men in het voor dat decennium allesbepalende debat – het Koude Oorlog debat over kruisraketten en communisme – steevast voor de rechtse muziek uitloopt. De val van de Muur leidde overigens niet onmiddellijk tot een ideologische herpositionering. Ook in de jaren negentig vonden beide partijen zich opnieuw gevangen in een debat waarin men geen andere keuze had dan stelling te nemen tegen progressieve opvattingen. Vooral onder Paars II werd het politieke debat gedomineerd door de links-liberale heilige drie-eenheid van Abortus, Homohuwelijk en Euthanasie. RPF en GPV bleven stokstijf in de beginselen staan en werden om die reden door de linkse partijen als reactionaire rechtse krachten afgeserveerd. Een stevige uitspraak over het zondige karakter van de homoseksuele daad kwam de nieuwe leider van de RPF, de Zeeuwse timmerman Leen van Dijke, zelfs op een heuse aanklacht door een aantal linkse actiegroepen te staan, een aanklacht die uiteindelijk in 1999 door de Hoge Raad werd verworpen.

Deze linkse hetze tegen zijn persoon weerhield Van Dijke er echter niet van met grote inzet te werken aan een ideologische ommezwaai van zijn partij in linkse richting. Dit gebeurde overigens niet zozeer door het ontwikkelen van nieuwe beleidsideeën als wel door het benadrukken van wat progressief was binnen het bestaande pakket van standpunten. Daarnaast verwierp hij ook luidruchtig het etiket ‘klein rechts’. Zo verklaarde hij tegenover NRC Handelsblad: “Laat niemand ooit nog de christelijke partijen RPF en GPV gemakzuchtig bestempelen als 'klein rechts'. Ik vind dat een belediging. De term rechts wordt al gauw geassocieerd met Janmaat en daar willen wij natuurlijk niets mee te maken hebben. En op de sociaal-economische balans valt rechts samen met conservatief-liberaal. Dat zijn we ook volstrekt niet. Christelijk-sociaal, dat zijn we.” (NRC, 22 oktober 1999)

In zijn zoektocht naar standpunten waarmee hij zijn voorkeur voor links kon rechtvaardigen, kwam Van Dijke uiteindelijk terecht bij sociaal-economische onderwerpen. Geen enkel links beleidsidee werd daarbij van tevoren besmet verklaard. Zo werd bijvoorbeeld gepleit voor een nadrukkelijke verhoging van het budget voor ontwikkelingshulp en werd zelfs voorzichtig een links stokpaardje uit de jaren zeventig bereden: de zogeheten ‘nul-groei’ optie, een pleidooi voor ecologisch behoud in plaats van economische groei. Voortdurend benadrukte Van Dijke daarbij het belang van ‘christelijk-sociale politiek’ en ‘de overheid als zwaard voor de zwakken’.

Overigens: de beeldspraak van de overheid als zwaard dat de zwakken in de samenleving (en daarbuiten) moet beschermen wordt door progressieve christelijke politici veelvuldig gebruikt. Het heeft in die kringen welhaast de kracht van een Bijbelse openbaring. Maar wie zijn Heilige Schrift kent, weet dat het hier helemaal niet om een Bijbelcitaat gaat. Het lijkt vooral een buitengewoon creatieve interpretatie van het oudtestamentische beeld van God als zwaard voor de zwakke en/of de gelovige. Progressieve christenen vervangen God door de overheid om zo hun voorkeur voor staatsbemoeienis op tal van maatschappelijke terreinen te rechtvaardigen. Dat moge electoraal een handige zet zijn, met Christelijke politiek heeft het niets te maken. Maar dit terzijde.

Als retorisch middel hielp de beeldspraak van het zwaard wel om de electorale ommezwaai aan de eigen achterban te verkopen. Dat laatste was trouwens bepaald geen sinecure. De inmiddels op gang gekomen fusiebesprekingen met de GPV leken vast te lopen op de vrees van de rechtse achterban van die partij voor een samenwerkingsverband waarbij modieuze linkse standpunten belangrijker zouden worden dan de oude Christelijke uitgangspunten. “Vrees niet, het wordt zeker geen socialisme met een Christelijk sausje,” zo probeerde Van Dijke uiteindelijk de zaak te sussen.

De logica waarop de fusie was gebaseerd, was die van een eenvoudige rekensom. De drie zetels van de RPF plus de twee zetels van de GPV plus eventuele extra stemmen van kiezers die in de nieuwe fusiepartij een attractief alternatief voor het CDA zouden zien, moesten de ChristenUnie in één keer tot een serieuze gesprekspartner voor de gevestigde orde maken. Met vijf of meer zetels zou de partij op termijn misschien zelfs D66 kunnen vervangen als ‘coalitiemaker’. De peilingen leken de berekeningen te staven. Ze voorspelden een winst van één of zelfs twee zetels. Op 15 mei 2002 volgde echter de ontgoocheling. Wat een triomf had moeten worden, liep uit op een deceptie. Drie plus twee bleek uiteindelijk maar vier zetels waard te zijn. Het betekende meteen het einde van Kars Veling, de man die door de GPV als lijsttrekker naar voren was geschoven om Leen van Dijke af te remmen. In januari 2003 bleek dat het allemaal nog erger kon. De partij verloor nog een zetel, en viel terug naar drie. Het was een harde klap, vooral voor Van Dijke. Hij moest door de tegenvallende verkiezingsresultaten van 2003 uiteindelijk zelfs zijn zetel afstaan aan Tineke Huizinga. Socialisme met een Christelijk sausje bleek dus bepaald niet aan te slaan bij de eigen achterban en andere kiezers werden er evenmin door aangetrokken.

De afgelopen decennia overziend heeft Rouvoet misschien wel gelijk als hij opmerkt dat de verlinksing van zijn partij voor een belangrijk deel een kwestie van perceptie is: “Wie zelf in een bepaalde richting opschuift, ziet de afstand tot diegenen die hun positie vasthouden groter worden.” (Rouvoet in: Reformatorisch Dagblad, 20 januari 2004) De politieke opvattingen van de ChristenUnie in dit decennium wijken feitelijk weinig af van die van RPF en GPV in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Toen stond men in de allesbepalende debatten echter tegenover links, nu staat men in de debatten over sociaal-economische zaken en immigratie naast links. De tijden veranderen, de kleine Christelijke partijen blijven zichzelf. Toch is daarmee niet alles gezegd. De toonzetting en het stemgedrag in de Kamer wekken namelijk de indruk dat men enthousiaster is over de huidige samenwerking met links dan men destijds was over de samenwerking met rechts. In het oppositievoeren tegen de huidige coalitie heeft men daarbij soms uit het oog verloren dat men na de verkiezingen misschien met dezelfde partijen aan tafel moet gaan zitten. Het feit dat men tot driemaal toe een linkse motie van wantrouwen tegen minister Verdonk heeft gesteund, kan onmogelijk bijdragen aan een prettige verstandhouding met de beoogde coalitiepartners.

Het is daarnaast de vraag wat Rouvoet opschiet met het hierboven genoemde gelijk. Het geeft hoogstens aan dat, terwijl het politieke centrum in Nederland de afgelopen jaren naar rechts is opgeschoven, zijn partij op links is blijven hangen. De ChristenUnie was opgericht om het contact met de politieke werkelijkheid te vinden, maar de afgelopen jaren is die kloof alleen maar groter geworden. Zulke ontwikkelingen blijven in de politiek nooit zonder gevolgen. Daar zal Rouvoet de komende maanden nog wel eens achter kunnen komen. Mocht de uitslag zich namelijk daartoe lenen (73 tot 75 zetels voor de huidige coalitie), dan zouden CDA en VVD wel eens de voorkeur kunnen geven aan een minderheidskabinet met gedoogsteun van de veel constructievere SGP boven een meerderheidscoalitie met de in het eigen gelijk vastgevroren ChristenUnie. Ondanks alle ogenschijnlijke vooruitgang zal het project ‘ChristenUnie’ dan opnieuw terug naar de tekentafel moeten. Waarbij het een open vraag is of het, na de tegenslagen van 2002 en 2003, nog wel in staat is opnieuw een dergelijk debacle te verwerken.

Saturday, 21 March 2009

Nicaragua, het volgende Venezuela?

Hugo Chavez, die zichzelf onlangs middels een dubieus referendum de bevoegdheid heeft gegeven om ‘gekozen’ dictator voor het leven te worden, leidt een steeds omvangrijker blok Zuid-Amerikaanse landen verenigd rond thema’s als anti-Amerikanisme en economisch socialisme. In dit kamp vinden we behalve de Cubaanse Castro-clan en de Boliviaanse populist Evo Morales ook een oude bekende uit de nadagen van de Koude Oorlog: de Nicaraguaanse president Daniel Ortega.
In de vroege jaren tachtig was Nicaragua het troetelkindje van links Nederland. Onder leiding van Comandante Ortega en zijn Sandinistische brigades werd daar immers het revolutionaire socialisme in praktijk gebracht. Links Nederland ging massaal aan de Nicaraguakoffie, uit solidariteit met het kleine landje dat dapper weerstand bleef bieden tegen de door president Reagan geleide Grote Satan Amerika. De droom werd wreed verstoord toen Ortega in 1990 tijdens de eerste vrije verkiezingen onverwacht werd verslagen door oppositieleider Violeta Chamorro. Ortegas revolutionaire loopbaan leek voorbij, totdat een nieuwe generatie Nicaraguaanse kiezers diezelfde loopbaan begin 2007 pardoes een nieuw leven inblies door hem tot president te kiezen.
Sindsdien is gebleken dat Ortega misschien wel zijn haren maar niet zijn revolutionaire streken heeft verloren. Na een onopvallende start begint hij de touwtjes steeds strakker aan te halen. De vorig jaar gehouden gemeenteraadsverkiezingen werden op grote schaal gemanipuleerd om de ‘juiste’ uitslag te garanderen. Het Knights Centre for Journalism in the Americas berichtte eind vorige maand dat Ortegas regering daarnaast ook op allerlei manieren de persvrijheid in het land heeft ondermijnd. En vorige week verklaarde Ortega in navolging van zijn revolutionaire vriend Hugo Chavez dat ook hij best president voor het leven zou willen worden. Als daarvoor de constitutionele bepaling die het een zittende president onmogelijk maakt om meer dan een termijn te dienen moet worden geschrapt, dan moet dat maar – ‘als het volk het wil’ uiteraard.
In Washington en Brussel begint men zich zo langzamerhand grote zorgen te maken over de ontwikkelingen in het land. In de nasleep van de omstreden gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar besloten zowel de VS als de EU ontwikkelingshulpbetalingen aan het land voorlopig op te schorten. Eind vorige week stelde Washington Managua daarbij een ultimatum: erken de gepleegde verkiezingsfraude en pas de uitslagen daarop aan, of riskeer definitieve bevriezing van de hulpgelden.
De vraag is nu wat Den Haag gaat doen. Ons land geeft per jaar ruim 25 miljoen Euro aan Nicaragua voor ontwikkelingshulpprojecten en begrotingssteun. Die begrotingssteun werd al gehalveerd na afloop van de omstreden gemeenteraadsverkiezingen (overigens sowieso merkwaardig dat een kabinet dat zijn eigen begroting niet eens op orde heeft begrotingssteun betaalt aan andere landen, maar vooruit). Sinds die maatregel werd genomen is de situatie in het land er bepaald niet beter op geworden. Tijd dus voor Koenders om het goede voorbeeld van Washington en Brussel te volgen. Hij zal toch immers niet de geschiedenisboekjes in willen gaan als een soort tovernaarsleerling van zijn beroemde/beruchte voorganger Jan Pronk – altijd bereid een dictatoriaal regime met Nederlands belastinggeld te steunen, zolang de dictator in kwestie maar socialistische idealen bleef propageren?

Deze column verscheen op zaterdag 21 maart 2009 in De Telegraaf

Saturday, 7 March 2009

De gefaalde staat Pakistan

De aanslag eerder deze week op de spelersbus van het nationale cricketteam van Sri Lanka is de zoveelste aanwijzing dat er iets rots is in de staat Pakistan. Dat deze aanslag kon plaatsvinden, is overigens niet het probleem – men kan immers niet elk denkbaar object tegen terreuraanslagen beveiligen. Maar het feit dat een dozijn terroristen op klaarlichte dag midden in een grote stad als Lahore een aanslag plegen om vervolgens zonder problemen aan de politie te ontsnappen, suggereert dat het centraal gezag in Islamabad, waar president Asif Zardari hof houdt, zijn greep op de openbare orde in het land aan het verliezen is. Zo’n mysterieuze verdwijntruc van twaalf zwaarbewapende mannen werkt immers alleen als ofwel de lokale bevolking, ofwel de lokale politiemacht bereid is aan die truc mee te werken.

Het centraal gezag in Islamabad is de controle over grote delen van de buitengewesten kwijtgeraakt. Het Pakistaanse deel van Kashmir is al decennia lang een broeinest van allerlei jihadbewegingen. Het probleem werd nog verergerd doordat de beruchte Pakistaanse veiligheidsdienst ISI de groei van dergelijke bewegingen actief aanmoedigde. Het doel was deze groeperingen in te zetten bij het plegen van aanslagen in het Indiase deel van de Kashmir. Maar zoals een reeks van aanslagen de afgelopen jaren heeft laten zien, zijn deze bewegingen in toenemende mate bereid de hand die hen heeft gevoed te bijten. Het gewelddadige potentieel van dit grensconflict (de beide landen vochten al tweemaal een oorlog om de ultieme controle over het gebied) verleidde toenmalig president Bill Clinton in de jaren negentig tot de uitspraak dat Kashmir ‘de meest gevaarlijke plek op aarde is’.

De afgelopen jaren is het lijstje van niet langer onder controle van Islamabad staande provincies alleen maar gegroeid. In 2007 sloot de toenmalige president Pervez Musharraf een akkoord met opstandelingen in de westelijke grensstaat Waziristan. Een Taliban-achtige beweging vestigde er vervolgens de Islamitische Emiraten van Waziristan, een de facto onafhankelijke terreurstaat. Begin dit jaar volgde een vergelijkbaar akkoord met de Taliban zelf in de noord-westelijke Swat vallei. De situatie in de zuid-westelijke grensprovincie Baloechistan is niet veel beter. Ook hier hebben de Taliban een stevige greep op de lokale bevolking, niet in de laatste plaats dankzij het wijdverspreide netwerk van madrassas waarin de lokale jeugd de Taliban’s eigen extreme interpretatie van de Koran wordt bijgebracht.

De Taliban gebruiken de grensprovincies behalve als recruteringsgebied ook als uitvalsbasis voor hun militaire operaties. Ze verbouwen er daarnaast de papaver waarmee de oorlogskosten worden gefinancierd. Omdat Islamabad niet langer in staat is de orde in dit deel van het land te herstellen, hebben de Amerikanen feitelijk geen andere keus dan hun militaire operaties uit te breiden naar de andere kant van de Afghaans-Pakistaanse grens.

In India wordt Pakistan inmiddels smalend omschreven als ‘het Somalië van Zuid-Azië’. Toch zal men ook daar niet gerust zijn op de ontwikkelingen van de afgelopen maanden. Het verschil met Somalië is immers dat Pakistan over een omvangrijk arsenaal kernwapens beschikt. De gefaalde staat Pakistan is daarmee een probleem voor de hele wereldgemeenschap.

Deze column verscheen zaterdag 7 maart in De Telegraaf

Friday, 6 February 2009

Eurozone kraakt aan alle kanten

Het is een oude wet: als een politicus zegt dat X niet in problemen is, dan loopt het voortbestaan van X serieus gevaar. Het feit dat EU-Commissievoorzitter Barroso zich deze week gedwongen voelde te ontkennen dat de de Eurozone op het punt stond uit elkaar te vallen, is dan ook een belangrijke aanwijzing dat er iets fout aan het gaan is in Euroland.

Nu lijkt het op het eerste gezicht vreemd dat uitgerekend de Eurozone in problemen zou zijn. In het noordelijke en oostelijke deel van de Unie staan de lidstaten immers in de rij om toe te mogen treden. Op die manier hopen zij immers beschutting te vinden tegen de ruige economische weersomstandigheden van het ogenblik. Die beschutting moet dan komen van de Europese Centrale Bank, die zich steeds meer begint te ontwikkelen tot een traditionele centrale bank, zij het met dit verschil dat traditionele centrale banken vooral grote financiële instituties uit de brand helpen, terwijl de ECB zich hoofdzakelijk direct op lidstaten richt. Vooral kleine landen als Estland, Letland en Hongarije hopen met behulp van ECB-steun het lot van het inmiddels failliete IJsland te voorkomen. Overigens zal ook IJsland binnenkort in Brussel aankloppen om gesprekken te starten over versnelde toelating tot de Unie – en dan vooral de muntunie. De Eurozone wordt zo behalve bankier voor financieel wankele lidstaten ook een bron van eerste hulp bij het herstellen van daadwerkelijk geleden economische schade.

Terwijl de Eurozone in het noorden en oosten nog volop groeit, begint het in het zuiden echter gevaarlijk te kraken. Steeds meer Zuid-Europese economieën lijken onder het gewicht van hun kolossale staatsschulden te bezwijken. Griekenland was het eerste land dat de hoogste kredietrating kwijtraakte. Daarna volgden in rap tempo ook Spanje en Portugal. Italië volgt waarschijnlijk binnenkort. De geldmarkten twijfelen steeds nadrukkelijker aan het vermogen van deze landen om hun schulden af te betalen. Die twijfel komt tot uiting in de steeds hogere prijzen die beleggers eisen voor herfinanciering van de staatschulden van deze landen. Vooral in een markt waarin Eurozoneleden elkaar verdringen op de kapitaalmarkt om de oplopende begrotingstekorten te financieren, zal het voor de zuidelijke lidstaten steeds lastiger worden om nog een goede prijs voor hun leningen te bedingen.

Wat dreigt, is dat de toenemende twijfels leiden tot een totale kapitaalvlucht uit deze landen. Zij zouden in dat geval de afbetaling van hun schulden niet langer kunnen financieren en daarmee feitelijk failliet gaan. De wanbetalende zuidelijke lidstaat zou kunnen worden gedwongen de Eurozone te verlaten in ruil voor financiële steun uit rijkere noordelijke lidstaten. De bekende/beruchte beleggingsexpert George Soros waarschuwde deze week dat zo’n scenario verre van denkbeeldig is. Zelfs het eerbiedwaardige Britse blad The Economist sprak er onlangs in bedekte termen over.

Zover is het gelukkig nog lang. Maar zo niet denkbeeldig als Commissievoorzitter Barroso het deed voorkomen is dit doemscenario nu ook weer niet. De Eurozone kraakt aan alle kanten. Als het stof van de huidige crisis eenmaal is neergedaald, zou het door de munteenheid bestreken gebied er dan ook wel eens heel anders uit kunnen gaan zien.

Deze column verscheen op zaterdag 7 februari 2009 in De Telegraaf

Monday, 26 January 2009

De Gouden Greep 2008

We zijn aan het eind van het jaar gekomen en dus is het weer tijd voor de uitreiking van de Gouden Greep, de prijs voor de meest creatieve verspilling van uw belastingcenten in de afgelopen twaalf maanden. Ik moet eerlijk zeggen: de jaargang 2008 was een bijzondere. Politici, ambtenaren en trendvolgers wisten verrassende nieuwe manieren te verzinnen om uw belastinggeld over de balk te smijten. Na een grondig evaluatieproces kwam de jury uiteindelijk tot de volgende top drie:

3: De LEF-gozers van Rijkswaterstaat.

Als u denkt dat ze bij de meeste Haagse ministeries alleen maar bezig zijn met het verzinnen van idiote projecten om uw belastingcenten er doorheen te jagen, dan hebt u het, eh, juist. Toch zijn maar weinig ministeries zo doortastend bij het geld verspillen als Rijkswaterstaat. Maar liefst vijf miljoen Euro werd uitgetrokken voor de bouw van LEF, een ‘future center’ (dit soort dingen klinken immers altijd veel beter in het Engels) waarin ambtenaren ‘effectiever leren denken’. Het gaat allemaal om het ‘faciliteren van het zelfbewustwordingsproces’, aldus projectbegeleider Ton Knoester. New Age gebabbel, zegt u? Nee, hier is iets heel belangrijks aan de hand. “Als je mensen uit een taaie situatie haalt en hun denken en voelen beïnvloedt, kun je een slag slaan in hun werkproces,” aldus Knoester.

Met de hoge kosten van dit esoterische zweefmolenproject had Knoester overigens geen moeite. “Als hier één idee zou ontstaan waar we een paar miljoen kunnen besparen, heeft het LEF zijn waarde ook in financieel opzicht bewezen,” zo legde hij geduldig uit. En als dat niet gebeurt, nou ja, dan bent u die vijf miljoen Euro gewoon kwijt. Maar dan hebben ze bij Rijkswaterstaat wel een hardstikke mooie ruimte vol sensoren, ‘energizers’ en kekke LED-lampjes waarin onze ambtenaren eens even lekker kunnen bijkomen van al dat harde werken. En da’s toch ook wel wat waard, nietwaar?

2. Utrechtse helden

Filmmaker en zelfbenoemde stuntman Didier Chabi kwam een paar jaar geleden op een lumineus idee. Hij wilde kansarme jongeren zelfbewustzijn bijbrengen door ze een opleiding tot stuntman te laten volgen. U kent het wel: lekker hard crossen op een scooter, wat op het achterwiel rijden en daar dan filmpjes van maken. Goed voor het zelfvertrouwen van de randgroepjongeren, en vooral: voor het banksaldo van mijnheer Chabi. De overheidsinstanties buitelden namelijk over elkaar heen in hun haast om dit prachtige project te financieren. Zo kwam er bijvoorbeeld geld van het Europees Sociaal Fonds, van het lokale ROC en van de gemeente Utrecht. In korte tijd haalde Chabi zo meer dan een miljoen Euro aan belastingcenten binnen.

Het project was een overigens overweldigend succes. Nou ja, bewoners in Overvecht klaagden over geluidsoverlast en de politie moest er een keer aan te pas komen om een vechtpartij tussen jongeren en begeleiders op te breken. Maar als het om publiciteit gaat, staat het project zijn mannetje. Neem dit berichtje van een paar maanden geleden: “Scooter-rijder verongelukt na mogelijke stunt”. Een negentienjarige jongen verongelukte toen hij tijdens een stuntrit in het Utrechtse Griftpark op een auto botste. De stunt in kwestie was bedoeld ter opleuking van een videoclip van de lokale rapgroep 3D Entertainment, een groep die voor de ontwikkeling en opnamen van zijn videoclips nauw samenwerkt met, jawel, de bekende stuntman/filmmaker Didier Chabi. Kortom, wij zijn met zijn alleen een miljoen Euro lichter, en Utrecht is een zoon armer. Echt een goed voorbeeld van een geslaagd subsidieproject, vind u ook niet?

1. De gratis geld express

We kennen de Europese Unie natuurlijk allemaal als het Mekka van de belastinggeldverslinders. Waar anders wordt de mededeling dat er in de jaarrekening 11.500 gevallen van financiele onregelmatigheden en vermoedelijke fraude zijn geconstateerd (geschatte kosten: 1,4 miljard Euro) met gejuich begroet? Europees Commissaris Siim Kallas zag er een aanwijzing in dat alles prima in orde is, want, zo legde hij uit, “de geconstateerde stijging van het aantal gevallen wijst erop dat er nu duidelijk beter gecontroleerd wordt.”

In Europa pakken ze de dingen graag groots aan als het om het verspillen van belastinggeld gaat. En dus werd dit jaar een nieuwe spoorlijn geopend tussen de twee vestigingen van het Europees Parlement in Brussel en Straatsburg. Een luxe hogesnelheidstrein bedoeld voor Europarlementsleden, Commissarissen, ambtenaren en assistenten. Kosten: 200 miljoen Euro per jaar, op te brengen door alle Europese belastingbetalers – die overigens zelf niet van de trein gebruik mogen maken; verschil moet er wezen, nietwaar? De media deden weer kleinzerig en noemden het ‘de trein der schande’ en ‘de gratis geld express’. Maar dat is natuurlijk onzin. “Ik sta versteld van de ophef,” verklaarde een woordvoerder van het Europees Parlement. Daar heeft hij groot gelijk in. Zo’n prachtig initiatief verdient het juist om bekroond te worden. Ik hoop dan ook dat u het met me eens bent dat er geen betere winnaar denkbaar is van de Gouden Greep 2008 dan de Europese Unie. Ere wie ere toekomt!

Deze column verscheen op maandag 1 december j.l. in Reader's Digest

Het Europese federale einddoel is allang bereikt

Het besluit van de Europese Unie om een eigen marine-missie te sturen naar de Golf van Aden is interessant niet om wat het kan bijdragen aan de aanpak van de piraterij in die regio maar om wat het zegt over de politieke werkelijkheid in het Europa van vandaag. Als bijdrage aan de beveiliging van de ruim dertigduizend schepen die jaarlijks deze zeestraat doorkruisen stelt een eenheid van tien schepen immers weinig voor. Maar als geboortemoment van een Europese marine is het wel degelijk van grote betekenis. Het is de zoveelste bevestiging van een waarheid die zowel eurofielen als eurosceptici het liefst onuitgesproken laten, namelijk dat wij misschien niet wettelijk maar wel feitelijk leven in een federale Verenigde Staten van Europa.

De discussie over het Verdrag van Lissabon (‘de grondwet’) deed het voorkomen alsof dit document het beginpunt zou vormen van een lang proces dat naar een Europees federaal einddoel moet leiden. Voorstanders van federalisering koesteren de mythe van het nog niet bereikte federale einddoel vooral omdat het hen helpt bij het rechtvaardigen van voorstellen om telkens weer nieuwe bevoegdheden van de lidstaten over te hevelen naar het Europese niveau. Opmerkelijk genoeg zijn eurosceptici al evenzeer geneigd de ‘grondwet als startpunt’ hypothese te onderschrijven. Het doet het immers voorkomen alsof het federale einddoel nog geblokkeerd kan worden. Nu valt het verzet tegen de grondwet op inhoudelijke gronden zonder meer te rechtvaardigen. Maar dat verzet heeftt niets te maken met het tegenhouden van een federaal einddoel. Dat doel is namelijk allang bereikt. Welke andere term past immers bij een unie van lidstaten die behalve over een eigen munteenheid ook over een eigen parlement, een eigen dagelijks bestuur, een eigen rechterlijke macht, een eigen buitenlands beleid, een eigen leger en sinds begin deze maand dus zelfs een eigen marine beschikt? Het feit dat deze instellingen veelal zwak ontwikkeld zijn, doet er niet toe. Ook een zwakke federale staat is een federale staat. Het maakt wat dat betreft zelfs niet uit of de voorgestelde grondwet er wel of niet komt. Er zijn in de geschiedenis voorbeelden genoeg te vinden van staten die zonder grondwet toch uitstekend functioneerden.

Voor het Europa-debat zou het goed zijn als alle partijen de feiten onder ogen zien. Het einddoel is bereikt, de Europese federatie is een feit. Voor de eurosceptici onder u, wiens zorgen ik over het algemeen deel: nee, deze vaststelling maakt u geen eurofiel. Het maakt u wel eurorealist. Dergelijk realisme kan helpen bij het voorkomen van het weglekken van nog meer nationale bevoegdheden. Het federale doel heiligt de middelen immers alleen zolang het nog niet is bereikt. Liever een openlijk benoemde federale staat met beperkte bevoegdheden dan een federale staat in alles behalve naam met steeds verder uitdijende macht. Laat het debat voortaan dus maar gewoon gaan over de vraag hoe de federale Unie de bestaande bevoegdheden in beleidsdaden moet omzetten. Een klassiek links versus rechts debat dus. Het zou de campagne voor de Europese Parlementsverkiezingen van volgend jaar voor de gemiddelde kiezer in ieder geval een stuk interessanter maken.

Deze column verscheen op zaterdag 29 november j.l. in De Telegraaf

Obama gaat Europa vooral geld kosten

De overwinning van de Democratische presidentskandidaat Barack Obama leidde in veel Europese huiskamers tot gejuich. Niet in huize Livestro, overigens. Als commentator ben ik niet geneigd me al te zeer te hechten aan deze of gene Amerikaanse presidentskandidaat. Ik vind bovendien dat het cv van Obama te weinig houvast biedt bij het beoordelen van zijn geschiktheid voor het zwaarste politieke ambt ter wereld. Dat neemt niet weg dat ik wel degelijk de betekenis zie van de verkiezing van de eerste Afrikaans-Amerikaanse president. Het is immers nog geen halve eeuw geleden dat zwarte Amerikanen in sommige staten alleen met gevaar voor eigen leven naar de stembus konden gaan. Obamas uitverkiezing bevestigt de overgang naar een tijdperk waarin burgers inderdaad niet langer op hun huidskleur maar vooral op de inhoud van hun karakter worden beoordeeld.

In de beste Europese traditie ben ik echter geneigd enkele realistische kanttekeningen te plaatsen. Van symboolpolitiek wordt de wereld immers niet veiliger of welvarender. De vraag blijft wat Obamas uitverkiezing eigenlijk voor Europa betekent. Op diplomatiek gebied zullen de Europeanen ongetwijfeld instemmend reageren op de contructievere toonzetting van de nieuwe administratie. Maar achter deze façade van multilateralisme gaan harde politieke berekeningen schuil die Obama hoogstwaarschijnlijk in dezelfde richting zullen sturen als voorgaande administraties.

Obama begrijpt bijvoorbeeld dat hij zich om geopolitieke redenen geen mislukking van het militaire avontuur in Afghanistan kan veroorloven. Maar om binnenlands-politieke redenen kan hij niet het geld vrijmaken dat voor een succesvolle oorlogsvoering noodzakelijk is. Zijn verzoek aan ons zal dus zijn of wij zo vriendelijk willen zijn om zijn plannen in Afghanistan voor hem te financieren. Het Nederlandse kabinet kan zich bijvoorbeeld nu al voorbereiden op een telefoontje van de nieuwe president met de vraag of wij de missie in Oeroezgan niet toch maar met een paar jaar willen verlengen.

In ruil voor eventuele concessies krijgt Europa overigens weinig terug. Europese regeringsleiders krijgen bijvoorbeeld wel de door hen gevraagde sluiting van de gevangenis in Guantanamo Bay, maar dan alleen als wij bereid zijn enkele tientallen van de daar opgesloten extreem gevaarlijke terreurverdachten op te nemen. De nieuwe administratie heeft verder ook duidelijk gemaakt dat het niet overtuigd is van de meerwaarde van het geplande raketschild. Obamas woordvoerder maakte eerder deze week bekend dat wat zijn baas betreft de plannen voor een Europees raketschild nog bepaald niet in beton gegoten waren. Ook dat heeft, behalve met oud ideologisch zeer (het raketschild was een kindje van de in Democratische kringen gehate presidenten Reagan en Bush) vooral te maken met geld. De kosten komen immers vooral voor rekening van de Amerikanen, terwijl de baten uitsluitend aan de Europeanen toevallen. Ook hier kunnen Europese regeringsleiders een verzoek om extra financiële inspanningen verwachten. Als wij inderdaad willen worden beschermd tegen Iraanse middellangeafstandsraketten, dan zullen wij daarvoor moeten betalen.

De hierboven genoemde internationale beleidsvoornemens van Obama hebben één ding gemeen: de politieke winst gaat naar Obama, de rekening naar Europa. Zo bezien is de vraag dus niet zozeer wat Obama voor ons zal betekenen, maar vooral wat wij voor Obama kunnen betekenen.

Deze column verscheen op zaterdag 15 november j.l. in De Telegraaf

John McCain - bij gebrek aan beter (II)

In een eerdere stemverklaring heb ik aangegeven met enige aarzeling voor de Republikeinse presidentskandidaat John McCain te kiezen. Hij was een uitstekende kandidaat op het gebied van internationale zaken, maar hij toonde een teleurstellend gebrek aan begrip van het belang van een vrije markteconomie Hij slaagde er bovendien regelmatig in zijn eigen partij tegen hemzelf in het harnas jaagde. Hij was beter dan de beschikbare alternatieven, maar ik vreesde dat zijn negatieve kwaliteiten hem ernstig zouden belemmeren in zijn streven het Witte Huis te veroveren.

In de maanden die volgden, zijn mijn twijfels over zijn persoon helaas bevestigd. Hij had, mede met dank aan de Russische inval in Georgië, een goede zomer, afgerond met een succesvolle conventie. Toen de campagne eenmaal werkelijk losbarstte, zakte hij echter door het ijs. Al snel openbaarden zich enkele fundamentele problemen die de McCain campagne tot een welhaast onvermijdelijk verlies lijken te hebben gedoemd.

Het eerste probleem is het eerdergenoemde gebrek aan binding met zijn eigen partij. In plaats van zich in de laatste weken op de zwevende kiezers te kunnen richten, moet hij kostbare energie besteden aan het overtuigen van zijn eigen achterban in doorgaans betrouwbaar Republikeinse staten. Het gebrek aan waardering voor de eigen achterban zet hem ook op achterstand als het gaat om fondsenwerving en het opbouwen van een vrijwilligersleger dat op verkiezingsdag kiezers naar de stembus moet brengen. Republikeinse activisten willen blijkbaar geen geld en moeite besteden aan een kandidaat die niet werkelijk een van hen is.

Het tweede probleem is McCains gebrek aan een interessante inhoudelijke agenda. In de cruciale slotfase van de campagne moest hij de kiezers zonder onderscheidende eigen beleidsvoorstellen tegemoet treden. Bij twijfelende kiezers ontstond zo de indruk dat, terwijl de wereld brandde, McCain niet in staat was met oplossingen te komen.

Die indruk werd nog versterkt door zijn weifelende optreden inzake de kredietcrisis en het debat over de zogeheten ‘bailout’. De kiezer zag een politicus die in een crisis van de ene oplossing naar de andere holde, zonder ooit vertrouwen te wekken dat hij wist waar hij mee bezig was. Aan het eind van een twee weken durende impasse was McCain zijn geloofwaardigheid als kandidaat-president volstrekt kwijtgeraakt. Een nek-aan-nek race veranderde op slag in tien procent voorsprong voor Obama.

Dat McCain desondanks nog altijd een kleine kans op het presidentschap maakt, heeft hij aan twee andere politici te danken. De eerste is zijn running mate, gouverneur Sarah Palin. Wie de Nederlandse pers over haar leest, zou nooit denken dat Palin een succesvol politica is met een indrukwekkend curriculum. Ze maakte naam als bestrijder van corruptie in het politiek-industriële oliecomplex in haar staat, onttroonde een zittende gouverneur van haar eigen partij en wist in de eerste twee jaar van haar gouverneurschap meerdere politiek gevoelige wetvoorstellen door het door de Democraten beheerste Alaskaanse Congres te loodsen. Kiezers in haar staat belonen haar hiervoor met welhaast Noord-Koreaans aandoende populariteitscijfers.

Waar McCain niet in slaagde, namelijk de conservatieve achterban enthousiasmeren, deed Palin met speels gemak. Op campagne trok ze een veelvoud van het aantal toeschouwers van McCain zelf. Waar McCain duizende supporters aantrekt, trekt zij tienduizenden doorgaans hyperenthousiaste aanhangers. Aanmeldingen van vrijwilligers voor de McCain-campagne zijn verviervoudigd sinds zij aan het ticket werd toegevoegd. Het Amerikaanse televisiepubliek is al even gefascineerd door haar persoon. Haar debat met Joe Biden was het op een na meest bekeken presidentiële debat uit de geschiedenis. Zelfs in Hollywood, waar men er genoegen in schept om de kleinstedelijke wortels van Palin te bespotten, staan de grote mediaconglomeraten in de rij om de telegenieke politica een contract aan te bieden. Als McCain zelfs maar een deel van het door haar gegenereerde enthousiasme in stemmen om kan zetten, zou hij op 4 november in ieder geval een redelijk resultaat kunnen boeken.

Of misschien zelfs meer dan dat. Zijn tegenstander beging in het zicht van de haven namelijk een blunder door in gesprek met een kiezer op SP-achtige wijze te pleiten voor herverdeling van inkomen. Met deze quasi-socialistische opmerking liep Obamas zorgvuldig gecultiveerde gematigde imago een forse deuk op. McCain had opeens een middel om hem de laatste maand van de campagne stevig in het defensief te drukken.

Obama heeft ook de fout gemaakt de indruk te wekken dat hij denkt de strijd al te hebben gewonnen. In plaats van kiezers in het stemhokje te laten stemmen over de vraag ‘wel of niet nog eens vier jaar Bush/McCain’ dwingt hij kiezers zich uit te spreken over de vraag ‘wel of niet vier jaar Obama’. Mede dankzij zijn herverdelingsblunder zou het antwoord op die laatste vraag voor hem wel eens minder gunstig uit kunnen pakken. Kiezers die naar hem kijken, zien immers een onervaren politicus met verdacht linkse voorkeuren. Sommigen van hen zullen onder het motto ‘Geen Experimenten’ uiteindelijk toch maar voor McCain kiezen.

Dit artikel verscheen op maandag 3 november j.l. in het Financieele Dagblad

Ontwikkelingshulp echt op zijn retour

Sinds mijn voorganger op deze plek, het VVD-Kamerlid Arend Jan Boekestijn, met een goed doorwrocht rapport een bommetje in het kippenhok van de ontwikkelingshulp gooide, is de OS-industrie in last. Een vetrouwelijk PvdA-rapport klaagde onlangs dat het door Boekestijn ontketende debat het ‘draagvlak’ onder een van de ‘kroonjuwelen van de PvdA’ dreigt te ondermijnen. Concrete maatregelen om het tij te keren hadden de auteurs overigens niet, behalve een voorstel om self-made miljardair Joop van den Ende in te schakelen om de pr-oorlog te winnen.

Zelfs een spetterende publiciteitscampagne kan echter niet meer verhullen dat het Nederlandse ontwikkelingshulpbeleid zijn geloofwaardigheid is kwijtgeraakt. Het ‘draagvlak’ is niet aangetast door kritische rapporten als die van Boekestijn, maar door het falen van het ontwikkelingshulpbeleid. Het meest in het oog springende, en voor de reputatie van de OS-industrie veruit het meest schadelijke falen is ontgetwijfeld de graaimentaliteit binnen de professionele hulpsector. Zo incasseerde voormalig PvdA-Kamerlid Thea Fierens als interim-manager van ontwikkelingsorganisatie SNV een maandsalaris van maar liefst 28 duizend Euro per maand. Fierens zit inmiddels in New York, bij de Verenigde Naties. Inderdaad, dezelfde organisatie waar een andere duurbetaalde ontwikkelingshulpwerker, Evelien Herfkens eerder dit jaar negatief in het nieuws kwam vanwege het claimen van een maandelijkse huursubsidie van 7000 dollar, bovenop een salaris van 160 duizend dollar. Overigens opvallend dat het steeds weer PvdA-ers zijn die de ontwikkelingshulpsector negatief in het nieuws brengen met verhalen over zakkenvullersgedrag. Misschien heeft mijn goede vriend en gewaardeerde collega-columnist Derk Jan Eppink (Elsevier) toch gelijk als hij zegt dat het makkelijker is om een hond langs een stapel worsten te leiden dan een sociaal-democraat langs een stapel geld. Hoe dit ook zij, de reputatieschade die zowel de ontwikkelingshulpsector als de PvdA zelf hebben geleden door dit soort incidenten is aanzienlijk.

Belangrijker dan de negatieve publiciteit over misbruik van belastinggelden is het feit dat het bestaande beleid nooit heeft kunnen aantonen daadwerkelijk een duidelijk publiek nut te hebben. Boekestijns rapport laat zien dat het bestaande beleid zonder enig verlies aan kwaliteit zou kunnen worden uitgevoerd met 60 procent van het huidige budget. Met andere woorden, van 40 procent van de huidige uitgaven kunnen we zonder meer stellen dat die volstrekt overbodig zijn. Zelfs van de overgebleven 60 procent is het maar de vraag hoe waardevol de bijdrage eigenlijk is die zij levert aan de ontwikkeling van achtergebleven economieën. De afgelopen decennia is immers duidelijk gebleken dat er een negatieve relatie bestaat tussen de omvang van de ontvangen ontwikkelingshulpgelden en de mate van economische ontwikkeling van een land. Ofwel: hoe meer geld erin wordt gepomt, hoe minder economische ontwikkeling we ervoor terug krijgen. Handel leidt tot ontwikkeling. Hulp stelt ontwikkeling alleen maar uit.

Let wel: dit is geen pleidooi voor het afschaffen van alle vormen van hulp. Noodhulp blijft belangrijk. En op internationaal niveau moet Nederland blijven bijdragen aan het uitroeien van besmettelijke ziekten als malaria, mazelen en HIV/AIDS. Maar dat kan allemaal prima zonder het gebruik van dat pretentieuze woordje ‘ontwikkeling’. Ontwikkelingshulp heeft zijn langste tijd zo langzamerhand echt wel gehad.

Deze column verscheen op zaterdag 1 november j.l. in De Telegraaf

De Peter Pan generatie

Toen ik nog een klein jongetje was, zag ik op een mooie dag de tekenfilm Peter Pan. Wat een geweldig kereltje was dat! Hij kon vliegen, at wat hij lekker vond en vocht stoere gevechten met een gevaarlijk ogende piraat. Zo’n jongetje wilde ik ook worden. Net als Peter Pan nam ik me dan ook voor om nooit volwassen te worden. Tot ik op een dag – uiteraard – gewoon volwassen werd.

Het begint er zo langzamerhand op te lijken dat ik onder mijn generatie een van de weinigen ben. Mijn generatie – de twintigers en dertigers – wordt in de sociologische vakliteratuur wel aangeduid als de ‘Peter Pan generatie’. Peter Pan verwijst daarbij naar het feit dat deze generatie vastbesloten lijkt inderdaad nooit volwassen te worden. Neem bijvoorbeeld hun vreemde gehechtheid aan het ouderlijk huis. In voorgaande generaties was het niet meer dan normaal dat je ernaar streefde om zo snel mogelijk op eigen benen te staan. Een eigen huis was niet altijd meteen beschikbaar, maar was wel de droom van iedere jongere. Ik ben misschien een wat oude dertiger, maar toen ik ging studeren wilde iedere zichzelf respecterende student gewoon op kamers. Nu ligt dat blijkbaar anders. Van de universitaire studenten woont ruim een kwart nog bij papa en mama thuis, van de hbo-studenten zelfs meer dan de helft. Het past binnen een bredere trend. Onder de huidige generatie jongeren tot 23 jaar ligt het aantal thuiswonenden 10 procent hoger dan het geval was bij hun leeftijdsgenoten uit de jaren vijftig. Ruim veertig procent woont nog gewoon thuis. En waarom ook niet? Het eten is immers gratis en de was wordt op magische wijze elke week vanzelf weer schoon.

De levenshouding van de onvolwassen Peter Pan generatie kan worden samengevat in drie simpele woorden: ‘Geen keuzes graag!’ Wie denkt dat de vele zegeningen die de afgelopen decennia over deze generatie zijn uitgestort hen dankbaar zouden stemmen, heeft het dan ook mis. Hoe meer kansen je hebt, hoe meer er immers te kiezen valt. Dit probleem heeft zelfs een naam gekregen: het dertigersdilemma. De Peter Pans hebben het er maar moeilijk mee. Neem Barbara (30), die zo moeilijk kan kiezen dat ze maar liefst drie banen tegelijk heeft: bedrijfsleider van een restaurant, fondsenwerver voor een non-profitorganisatie en medewerker van een galerie. Of ze daarmee de juiste keuze heeft gemaakt? Mjah... “Het blijft knagen. Ik heb toch niet voor niets rechten gestudeerd? Ik denk dat ik meer kan. Misschien moet ik toch kandidaat-notaris worden.” ‘Keuzestress’ noemen de psychologen dat. Volgens onderzoek van de Universiteit van Amsterdam heeft bijna 75 procent van alle hoger opgeleiden tussen 25 en 35 er last van. Gelukkig zijn er inmiddels ook ‘life coaches’ die zich speciaal op deze markt gestort hebben. Met een paar sessies ‘dilemma coaching’ wordt de hoger opgeleide Peter Pan zo over zijn ‘dertigersdip’ heen geholpen.

De slimsten onder de Peter Pans hebben geleerd dat je helemaal niet in theraptie hoeft om je toch lekker te voelen. Het is veel effectiever om je eigen gebrek aan doortastendheid te presenteren als een bewuste keuze. Neem de ‘bewust’ kinderloze dertigers. Klinkt prachtig, totdat je beseft dat deze generatie helemaal nergens ‘bewust’ voor kiest. De enige beslissing die ze nemen, is om niets te besluiten. Dus trouwen ze bijvoorbeeld niet. Het aantal jaarlijks gesloten huwelijken daalde van bijna 90 duizend op een bevolking van 11.4 miljoen in 1960 naar iets meer dan 72 duizend huwelijken op een bevolking van 16.4 miljoen in 2006. Logisch natuurlijk, want trouwen is een buitengewoon bindend besluit. Als het een beetje tegenzit, zit je er immers voor de rest van je leven aan vast. Hetzelfde geldt voor kinderen krijgen. Het aantal geboorten per jaar is dan ook gedaald van bijna 240 duizend in 1960 naar nog geen 180 duizend in 2007. Bewust, natuurlijk.

Nu wil ik uiteraard mijn generatiegenoten niet dwingen om te kiezen. Als ze onvolwassen willen blijven, moeten ze dat zelf weten – al heeft het voor ons allemaal wel vervelende consequenties. Wie moet immers over veertig jaar de pensioenen betalen en de bedpannen legen voor deze besluiteloze generatie, als ze zelf geen kinderen durven te nemen? Wat me wel ergert, is dat het eigenlijk allemaal nep Peter Pans zijn. Peter Pan zelf was een lachebek, een aartsoptimist die niet wilde opgroeien omdat hij nooit wilde ophouden met dromen. De huidige Peter Pan generatie daarentegen blinkt vooral uit in zelfbeklag. Een recent opinieonderzoek onder ‘bewust’ kinderloze dertigers leidde bijvoorbeeld tot een stortvloed van jammerklachten. “Kan ik nou alweer niet in juli weg omdat collega’s met kinderen zo nodig voorgaan?” Of nog erger: “Ouders mogen voor een ziek kind meteen weg. Toen mijn hond gesteriliseerd moest worden, mocht mijn partner [politiekcorrect woord voor ‘vriend’, JL] een vrije dag opnemen.” Zorgverlof voor de hond? Statutair recht op vakantie in juli? Mijn antwoord is simpel. Wordt eerst maar eens volwassen, dan praten we wel verder.

Deze column verscheen op zaterdag 1 november j.l. in Reader's Digest

Solidaiteit Europa op de proef gesteld

Hoewel de West-Europese banksector voorlopig gered lijkt, zou het voorbarig zijn te stellen dat de kredietcrisis definitief voorbij is. De nasleep van de crisis zou namelijk wel eens voor grote problemen kunnen gaan zorgen. Zo dreigt allereerst het gevaar van een langdurige recessie in West-Europa. De economische activiteit in de Eurozone nam het afgelopen kwartaal al met 0,2 procent af. Nog een kwartaal van negatieve groei en de recessie is een feit. De Finse minister van Financiën Jyrki Katainen stelde onlangs dat hij “niet zeker weet hoe lang de Europese recessie zal duren, maar het zou wel eens twee of drie jaar kunnen zijn.”

Een tweede probleem dient zich aan in Oost-Europa. De West-Europese kredietcrisis bedreigt daar namelijk de stabiliteit van het hele kredietsysteem. De kern van het probleem is dat Oost-Europa vrijwel volledig afhankelijk is van West-Europees krediet. Niet alleen is de financiële sector in veel Oost-Europese landen nagenoeg volledig in West-Europese handen, de kapitaalbalans (het verschil tussen kapitaalimport en export) is ook nadrukkelijk negatief door de import van West-Europees krediet. De groei van private commerciële leningen, die in Bulgarije en Roemenië meer dan 50 procent per jaar bedraagt, wordt bijvoorbeeld volledig gefinancierd met West-Europees geld.

Het Oost-Europese kredietwezen wordt van meerdere kanten bedreigd. Eén mogelijk probleem is de val van een van de West-Europese banken die het Oost-Europese kredietwezen financieren. Zo’n faillisement zou in West-Europa niet meer dan een schokgolfje teweegbrengen. In Oost-Europa daarentegen zou het gelijk staan aan een enorme economische aardbeving. Zelfs als dit niet gebeurt, zijn de gevaren voor de Oost-Europese economieën nog niet geweken. De betrokken West-Europese banken zouden immers ook kunnen besluiten het in Oost-Europa geïnvesteerde kapitaal terug te halen, of in ieder geval geen extra kapitaal meer beschikbaar te stellen. In beide gevallen zouden Oost-Europese landen worden gedwongen tot een plotselinge, grote aanpassing van hun kapitaalbalans.

Tot wat voor dramatische taferelen dat kan leiden, hebben we in de late jaren negentig gezien. Een vrije val van de Thaise munteenheid, de Baht, leidde tot de Aziatische financiële crisis van 1997, waarin landen als Zuid-Korea en Maleisië gedwongen werden grote tekorten op hun kapitaalbalans op heel korte termijn af te bouwen, met als gevolg een diepe recessie. De Aziatische crisis van 1997 leidde tot de Russische Roebelcrisis van 1998 en – uiteindelijk – tot de val van het grote Amerikaanse hedgefonds Long-Term Capital Management.

West-Europa kan het zich onder de huidige omstandigheden niet veroorloven om uit te vinden welke economieën of financiële instellingen elders in de wereld ten onder zouden gaan aan de gevolgen van een financiële aardbeving in Oost-Europa. De Eurozone heeft geen andere keuze dan de Oost-Europese regeringen financieel te ondersteunen in hun strijd tegen de naschokken van de kredietcrisis. Dergelijke overdrachtsbetalingen zijn onder normale omstandigheden al weinig populair bij West-Europese kiezers. Het feit dat zij voor deze steunoperatie worden gevraagd te betalen op het moment dat zij zelf hun baan en hun spaargelden dreigen te verliezen, zal het enthousiasme er bepaald niet groter op maken. De Europese solidariteit zou de komende maanden dan ook wel eens zwaar op de proef gesteld kunnen worden.

Deze column verscheen op zaterdag 25 oktober j.l. in De Telegraaf

Lessen uit Canada

Het lot van de Canadezen is om altijd in de schaduw te leven van hun grotere, machtigere zuiderburen. Het was dus niet meer dan logisch dat de Canadese federale verkiezingen van afgelopen dinsdag aan het zicht onttrokken waren door berichtgeving over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Dat is een spijtige zaak, want de Nederlandse politieke klasse heeft genoeg te leren van de Canadese ervaring.

Canada is namelijk het geboorteland van de Nieuwe Politiek. Halverwege de jaren tachtig kwamen partijloze activisten en ontevreden leden van de centrumrechtse Progressive Conservatives bijeen om te vergaderen over mogelijkheden om het verstarde partijsysteem te doorbreken. Uit dat initiatief werd uiteindelijk de Reform Party geboren. Reform maakte dezelfde strategische fouten als de LPF in ons land door niet expliciet voor rechts te kiezen en door al bij voorbaat een grens te stellen aan de levensvatbaarheid van de eigen beweging. Men wilde de zaak eens goed opschudden, de eigen prioriteiten verwezenlijken (vooral staatsrechtelijke hervorming) en er vervolgens weer mee ophouden. In de korte tijd dat de partij bestond, zou de Reform Party wel een dramatisch effect hebben op de politieke verhoudingen in het land. De Progressive Conservatives wisten zich geen houding te geven ten opzichte van de Nieuwe Politiek, met fatale gevolgen. In de federale verkiezingen van 1993 werd de PC vrijwel geheel van de kaart geveegd. Van de 169 parlementszetels bleven er slechts twee (!) over – de meest dramatische verkiezingsuitslag uit de recente Westerse politieke geschiedenis.

De populistische revolte had op korte termijn vooral tot rokende rechtse puinhopen geleid. De linkse Liberal Party (de Canadese PvdA), al sinds mensenheugnis dominant in Canada, leek zich te mogen opmaken voor een volgende eeuw van politieke dominantie. Dat het uiteindelijk in het eerste decennium van de nieuwe eeuw anders is gelopen, is vooral te danken aan Stephen Harper, de leider van de nieuw opgerichte Conservative Party of Canada en nu voor de tweede keer op rij de premier van een centrumrechts minderheidskabinet. Onder zijn leiding voert de CPC, geboren uit een fusie van de restanten van de PC en Reform, campagne met een mengeling van traditionele rechtse standpunten (lagere belastingen, sterke defensie) en nieuwe electorale strategieën die de partij in staat stellen in te breken in het grootstedelijke electoraat dat voorheen traditioneel links stemde. Het is in het stemhokje nu al voor de tweede keer op rij een winnende formule gebleken.

Na afgelopen dinsdag is het niet rechts maar links dat voor een groot probleem staat. De linkse aanhang is versplinterd over drie partijen, die samen geen vuist weten te maken tegen het rechtse minderheidskabinet. De Liberals zijn net als de PvdA een partij in verval. De Groenen zijn net als hier te klein om een factor van belang te zijn. En de NDP, een soort fusie van SP en ChristenUnie, is niet sterk genoeg om de leiding over te nemen. De nabije toekomst lijkt dan ook een van rechtse minderheidskabinetten.

Rechtse versplintering gevolgd door nieuwe rechtse blokvorming. Linkse verdeeldheid. En uiteindelijk rechtse minderheidskabinetten. Zoals gezegd, voor onze Haagse politieke klasse geeft de Canadese praktijk volop stof tot nadenken.

Deze column verscheen op zaterdag 18 oktober j.l. in De Telegraaf

Wednesday, 15 October 2008

Gevaren van een nieuwe New Deal

Wie het heden wil begrijpen, moet het verleden bestuderen. De beleidsmakers van de G7 die dit weekeinde in Washington bijeenkomen, kijken dan ook terecht naar de jaren dertig om te zien hoe een nieuwe Grote Depressie vermeden kan worden. De maatregelen van de afgelopen weken zijn wat dat betreft overigens slechts een eerste stap. Ze zijn er vooral op gericht een diepe recessie zoals die van de vroege jaren dertig te voorkomen. Uit misplaatste gehechtheid aan de goudstandaard schroefden centrale banken destijds de rente omhoog, zodat krediet nog schaarser werd. In plaats van de belangrijkste banken met tijdelijke injecties van overheidskapitaal overeind te houden, werd de financiële sector aan zijn lot overgelaten, zodat in Amerika de helft van alle banken failliet ging. In plaats van de haperende wereldeconomie via vrijhandel een oppepper te geven, stortten regeringen wereldwijd hun economieën in het verderf door een reeks van protectionistische maatregelen. In twee jaar tijd daalde de wereldwijde handel daardoor met ruim zestig procent.

Het is goed dat beleidsmakers vandaag er alles aan doen om deze fouten te vermijden. Toch is daarmee de klus nog niet geklaard. Wat de diepe recessie van de vroege jaren dertig uiteindelijk tot een decenniumlange Grote Depressie maakte, waren niet deze fouten maar de onder het presidentschap van Franlin D. Roosevelt genomen beleidsmaatregelen van de New Deal. De mythe van de New Deal is dat Amerika uit het dal werd geholpen met behulp van een reeks van overheidsinterventies die de ‘systeemfouten’ van het kapitalisme ongedaan maakten. De werkelijkheid was anders. Wie wil weten waarom, moet het boek The Forgotten Man van de Amerikaanse historica Amity Shlaes ter hand nemen. Zoals zij uitlegt, zorgde de New Deal er in feite voor dat de crisis in Amerika veel langer duurde dan in landen die wel gewoon de vrije markt ongemoeid lieten. Een netwerk van nieuwe regelgeving knevelde de Amerikaanse bedrijvigheid. Verlieslijdende grote overheidsprojecten drukten winstgevende private initatieven uit de markt. Ze werden bovendien gefinancierd met belastingverhogingen die bedrijven en consumenten van broodnodig kapitaal beroofden. De introductie van federale bijstandsregelingen en een minimum loon leidden tot vernietiging van werkgelegenheid voor laaggeschoolden en daarmee tot langdurige hoge werkloosheid.

Terwijl in veel westerse landen de industriële produktie snel weer opveerde, zou de Amerikaanse economie tot aan het eind van de jaren dertig blijven kwakkelen. In januari 1940 bedroeg de werkloosheid nog altijd bijna 15 procent – evenveel als op het dieptepunt van de crisis in 1930. In diezelfde maand stond de Dow Jones nog steeds op hetzelfde niveau als aan het eind van de grote beurskrach van 1929. Roosevelts rampzalige economische experiment zou uiteindelijk worden gered door Pearl Harbor.

Laten we hopen dat dezelfde beleidsmakers die er nu de geschiedenisboeken op naslaan om te zien hoe ze de financiële crisis moeten aanpakken ook het boek van Shlaes zullen lezen. Ze kunnen ervan leren wat ze in de fase hierna moeten doen, en vooral: wat ze niet moeten doen. Iedere regering die er toch voor kiest het pad van Roosevelt te volgen, vergroot het risico op een nieuwe Grote Depressie.

Deze column verscheen op zaterdag 11 oktober j.l. in De Telegraaf

Gebakken lucht

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik heb het zo langzamerhand wel gehad met de klimaatveranderingsgelovigen. Neem bijvoorbeeld hun neiging om iedere wolkbreuk of windhoos aan te grijpen om het einde der tijden te verkondigen. De ijsberen sterven uit, het water stijgt ons tot de lippen en de laatste overgebleven Nederlanders zullen van de Wageningse Berg geblazen worden door tropische cyclonen. Ach, ik weet het, ik chargeer een beetje. Maar niet teveel: “Een miljoen diersoorten uitgeroeid door de klimaatverandering,” voorspelt de ene studie. “Heel Nederland verdwijnt onder de zeespiegel”, orakelt een ander. “Klimaatverandering leidt tot oorlogen,” waarschuwt een derde. Het moge duidelijk zijn: klimaatverandering is niets meer of minder dan “de grootste ramp uit de geschiedenis”, aldus het Wereld Natuur Fonds.

Een nuchtere Hollander zou er misschien op wijzen dat het wereldwijde zeewaterpeil de komende eeuw helemaal niet, zoals het VN-klimaatpanel IPCC aanvankelijk beweerde, met zes meter zal stijgen. In werkelijkheid bedraagt de maximale stijging 43 centimeter. Foutje in het computermodel – kan gebeuren, nietwaar? Bij zo’n stijging houden ze het zelfs in Zeeland nog wel even droog. Zo kan ik nog wel een paar andere feiten noemen. Wist u bijvoorbeeld dat de ijskap op de Zuidpool al geruime tijd aan het groeien is? En dat de gemiddelde wereldwijde temperatuur de afgelopen tien jaar niet is gestegen maar gedaald? Maar daarmee komen we meteen bij een volgende irritante eigenschap van de klimaatveranderingsgelovigen. De beroemde econoom John Maynard Keynes vatte de normale wetenschappelijke aanpak samen door te stellen dat als de feiten wijzigden, hij altijd bereid was zijn theorie te wijzigen. In de kerk van de ware klimaatgelovigen gaat dat heel anders. Als de feiten niet kloppen met de klimaatveranderingstheorie, is dat gewoon jammer voor de feiten.

Dat gebeurt overigens gelukkig bijna nooit. In de wereld van de klimaatveranderingsgelovigen is namelijk alles bewijs voor de naderende apocalyps. Een hittegolf in Zuid-Europa? Dat moet wel de klimaatverandering zijn. Regenbui in Roermond? Jawel, klimaatverandering. Vroeger keek niemand er van op als de Maas weer eens buiten zijn oevers trad. Nu is zo’n zelfde overstroming het wettige en overtuigende bewijs dat de aarde aan opwarming ten onder gaat. We verbazen ons inmiddels allang niet meer van koppen als “Opwarming zorgt voor koudere aarde”. Het wordt warmer, dus het wordt kouder: je kan gewoon niet missen met de klimaatveranderingshypothese. En als er toch dingen gebeuren die echt met geen mogelijkheid binnen de opwarmingstheorie te passen zijn, zoals de temperatuurdaling van de afgelopen tien jaar? Dan zeg je dat het opwarmingsproces even ‘pauze neemt’ en wijdt je dat aan ‘natuurlijke klimatologische variaties’. De klimaatveranderingsgelovigen hebben altijd gelijk, ongeacht de feiten.

Zo mogelijk nog irritanter is de hypocrisie van de belangrijkste klimaatveranderingsprofeten. Zij laten geen gelegenheid voorbij gaan om ons een schuldgevoel aan te praten. Wij consumeren teveel en denken te weinig aan het milieu, zo wordt ons voortdurend verteld. Maar, zo zou je verwachten, wat voor ons geldt, geldt ook voor hun. Niet dus. De kopstukken van de milieubeweging vliegen namelijk schaamteloos de hele wereld over om het klimaatveranderingsgeloof te verbreiden. De CEO van het Wereldnatuurfonds, Bob Napier, vloog bijvoorbeeld in één jaar tijd naar Washington, Geneve, Peking, Borneo, de Falklandeilanden en Spitsbergen – allemaal voor een beter milieu. De overtreffende trap van klimaatveranderingshypocrisie is overigens Al Gore, de klimaatveranderingsprofeet die voor zijn film An Inconvenient Truth zowel een Oscar als een Nobelprijs kreeg. Terwijl hij in zijn film orakelt over hoe wij door ons schandelijk energieverbruik de wereld richting apocalyps duwen, blijkt hij zelf op zijn ranch in Tennessee per maand twee keer zoveel elektriciteit te gebruiken als een gemiddeld Amerikaans gezin in een heel jaar. En terwijl hij ons oproept om de auto te laten staan om de planeet te redden, blijft hij zich zelf gewoon per privéjet verplaatsen. Het motto van de klimaatveranderingsprofeten is dus blijkbaar ‘doe wat ik zeg, niet wat ik doe’.

Wat mij echter het meeste ergert, is dat je dit allemaal nieteens hardop mag zeggen. Wie het namelijk waagt zijn stem te verheffen tegen de klimaatveranderingslobby, wordt bedolven onder een regen van verdachtmakingen. Wetenschappers die nieuwe feiten inbrengen die de klimaatveranderingshypothese ondermijnen, krijgen het label van ‘klimaatveranderingsontkenners’ opgeplakt. ‘Ontkenners’ verwijst daarbij weinig subtiel naar het woord ‘Holocaustontkenner’. In het voorbijgaan wordt ook nog even hun wetenschappelijke onafhankelijkheid ondermijnd door te suggereren dat ze in de achterzak van de grote oliemaatschappijen zouden zitten. Serieuze academici worden zo afgeschilderd als een soort corrupte neonazi’s. Erger kan ook nog, overigens. Een Engelse bisschop vergeleek critici van de klimaatveranderingshypothese onlangs met de Oostenrijkse incestueuze kinderverkrachter Josef Fritzl door te stellen dat zij “net zo schuldig” zijn als hij als het gaat om het vernietigen van de toekomst van onze jeugd.

Dat is dus het ware gezicht van de klimaatveranderingslobby: hysterisch, feitenblind, hypocriet en onverdraagzaam ten opzichte van andersdenkenden. En dan vinden ze het nog gek dat al hun gepraat over opwarming ons Siberisch koud laat.

Deze column verscheen op woensdag 1 oktober j.l. in Reader's Digest

Vooringenomen journalistiek

Onlangs publiceerde het Duitse Marshall Fonds de resultaten van een opinieonderzoek over Europese houdingen ten opzichte van de Amerikaanse verkiezingen. Obama bleek onder Europese kiezers razend populair, McCain weinig geliefd. Zo ook in Nederland. Hier had maar liefst 85 procent een positieve mening over Obama, tegenover slechts 33 procent voor McCain. Wie kijkt hoe de media in ons land met de Amerikaanse verkiezingen omgaan, mag niet verbaasd zijn. Inhoudelijke besprekingen van de beleidsvoornemens van beide kandidaten treffen we nauwelijks aan. De verslaggeving gaat voornamelijk over personen en schandalen. Of liever gezegd: over Democratische personen en Republikeinse schandalen.

In hun bespreking van Democratische personen verliezen Nederlandse journalisten soms elk gevoel voor verhoudingen. Het meest schandelijke voorbeeld hiervan was het besluit van de NPS om wel een groot team van verslaggevers naar de Democratische Conventie te sturen, maar niet een vergelijkbaar team naar de Republikeinse Conventie. Eind augustus werd de Nederlandse kijker vijf dagen lang getrakteerd op een Obamajournaal waarin allerlei bewonderaars hun zegen over de Democratische presidentskandidaat mochten uitspreken. Zelfs NOS Journaal redacteur Hans Laroes vond het onacceptabel: “Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan niet na 5 seconden heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet? Als je A zegt moet je ook B zeggen: als je Barack zegt moet je ook John zeggen.”

Voor Republikeinse personen is er in de Nederlandse pers nauwelijks aandacht. Voor Republikeinse ‘schandalen’ des te meer. Als de burgemeester van het stadje Ketchikan dat via de beruchte ‘Bridge to Nowhere’ met het vasteland had moeten worden verbonden, opmerkt dat de Republikeinse vice-presidentskandidaat Sarah Palin volgens hem wel degelijk voor het bouwen van die brug was, schrijven Nederlandse journalisten daar meteen een schandaalstuk over. Wat ze vergeten te vermelden, is dat de man in kwestie, Bob Weinstein, behalve burgemeester van Ketchikan ook woordvoerder van de Obamacampagne in Alaska is. Wat gebracht wordt als een nieuwsfeit is dus in werkelijkheid niet meer dan een persbericht van de Democratische Partij. Elementaire journalistieke normen op het gebied van feiten checken doen er blijkbaar niet meer toe. De Republikein is immers de ‘vijand’ wiens standpunten al bij voorbaat verdacht zijn – zelfs al lijken die volmaakt onschuldig te zijn. Zo kan het dus ook gebeuren dat als Palin in antwoord op een vraag over Georgisch NAVO-lidmaatschap stelt dat het NAVO-verdrag Amerika zou verplichten dat land te helpen in geval van een Russische aanval, Nederlandse media het nieuws brengen onder de kop: ‘Palin: oorlog met Rusland is mogelijk!’

De eindeloze stroom heiligenverhalen over Democratische presidentskandidaten en schandaalstukken over Republikeinse politici lijken hun uitwerking op de Nederlandse publieke opinie niet te missen. Dat kan kwalijke gevolgen hebben als tegen de verwachting van het Nederlandse journaille in McCain-Palin op 4 november toch de verkiezingen winnen. De kloof tussen Nederland en Amerika zal in dat geval weer wat verder verbreed zijn – zonder dat daar objectief gesproken enige reden voor is. Voor een land dat zowel voor zijn verdediging als voor zijn handel in Amerika een onmisbare bondgenoot heeft, is dat een buitengewoon gevaarlijke ontwikkeling.

Deze column verscheen zaterdag 27 september j.l. in De Telegraaf

De Bush-jaren nader beschouwd

De herdenking van de gebeurtenissen op 11 september vormde waarschijnlijk het laatste publieke optreden van enige betekenis van president George W. Bush. De aandacht van pers en publiek zal vanaf nu uitgaan naar de beide kandidaten die strijden om het volgende presidentschap – en naar de vrouw die met haar fenomenale toespraak tot de Republikeinse conventie de hele race op zijn kop heeft gezet, de gouverneur van Alaska Sarah Palin. Hoe moeten we het tijdperk Bush nu waarderen? De critici wijzen op zijn lage populariteitscijfers als bewijs dat zijn presidentschap een totale mislukking zou zijn. Nu zijn die cijfers inderdaad weinig indrukwekkend, al moet daar wel bij worden aangetekend dat Bush niet minder populair is onder zijn bevolking dan de meeste Europese regeringsleiders in eigen land zijn. Het is misschien eerder bewijs dat we momenteel in sceptische tijden leven. Populariteitscijfers zijn bovendien een onbetrouwbare indicator voor de historische betekenis van een presidentschap. Hoe goed een president werkelijk was, wordt doorgaans pas na afloop duidelijk.

Ik denk dat dit oordeel in het geval van de jongere Bush nog wel eens mee zou kunnen vallen. Met name op buitenlands gebied was zijn presidentschap namelijk zo slecht nog niet. Bush kan bijvoorbeeld tevreden terugkijken op acht jaar behoud en uitbouw van het NAVO-bondgenootschap. Veel West-Europese critici meenden dat de NAVO met de uitbreiding in Oost-Europese richting aan geloofwaardigheid en slagkracht zou verliezen. Niets is minder waar gebleken. In 2002 werden de besluitvormingsprocessen van het bondgenootschap grondig hervormd en twee jaar later werd de uitbreiding in oostelijke richting formeel bezegeld. De nieuwe, grotere NAVO bleek daadkrachtiger dan gedacht. Het aantal lidstaten dat een actieve bijdrage levert aan militaire operaties in Afghanistan is bijvoorbeeld alleszins respectabel. Op Duitsland na hebben alle lidstaten, zelfs Frankrijk, een serieuze bijdrage geleverd aan gevechtsoperaties in dat land, iets dat deskundigen in de wereld voor 11 september 2001 nooit voor mogelijk hadden kunnen houden.

Een ander belangrijk succes is de ontwikkeling en uitbouw van een raketschild. De oude droom van Ronald Reagan was een raketverdedigingssysteem dat het Westen minder kwetsbaar zou maken voor eventuele raketaanvallen. Deze droom is onder de jongere Bush werkelijkheid geworden. Aanvankelijk reageerden de Europese lidstaten afwijzend, maar het killere internationale klimaat hebben de Europeanen een stuk pragmatischer gemaakt. De verdragen zijn inmiddels getekend, zodat binnenkort daadwerkelijk aan de plaatsing van verdedigingsraketten en radarsystemen kan worden begonnen.

Het grootste succes van Bush is ongetwijfeld de oorlog tegen de terreur. Zeven jaar na 11 september is Amerika het lot van een nieuwe aanslag bespaard gebleven. De strijd in Irak leek aanvankelijk op een rampzalige mislukking uit te lopen. Inmiddels verloopt de strijd echter zo gunstig dat de Amerikanen nog voor het eind van dit decennium de laatste onder hun controle staande provincies aan de Iraakse regering kunnen overdragen. De ontmanteling van het Al Qaeda netwerk is in een vergevorderd stadium.

Amerika veilig, het Westen onder de NAVO vrij en verenigd, de wereld dankzij het raketschild op termijn minder kwetsbaar voor raketaanvallen van schurkenstaten. Er zijn presidenten die het slechter hebben gedaan.

Deze column verscheen op zaterdag 13 september j.l. in De Telegraaf

De meerderheid zwijgt niet langer

Terwijl Wijnand Duyvendak door een zijdeur afging, krabde het progressieve commentariaat zich verbaasd over het hoofd. Wat hier gebeurde, zou in een beschaafd land als het onze toch onmogelijk moeten zijn. Wij doen immers niet aan ‘McCartyisme’, aldus bijvoorbeeld ChristenUnie fractieleider Arie Slob op zijn persoonlijke weblog. Wie het Nederlandse publieke debat volgt, weet echter dat die veronderstelling niet correct is. Verdachtmakingen van het type waarop ‘Tailgunner Joe’ het patent had, worden ook in ons land wel degelijk met enige regelmaat gebruikt. Zij vormden de inspiratie voor de moord op Pim Fortuyn door een extreemlinkse milieufanaat en waren de directe aanleiding voor het voortijdige vertrek van Ayaan Hirsi Ali uit de Tweede Kamer en uiteindelijk ook uit ons land. Links heeft overigens niet het patent op politieke heksenjagerij. Ad Melkerts zorgvuldig geplande mars naar het Catshuis eindigde bijvoorbeeld in een verpletterende verkiezingsnederlaag en een overhaaste vlucht naar Amerika nadat hij door rechts als zondebok voor de moord op Fortuyn werd aangewezen.

De vraag is nu hoe dit mogelijk is. Hoe kan het dat het ogenschijnlijk gemoedelijke Nederland veranderd is in een koortsig moeras waarin fatsoen en wederzijds respect kansloos lijken weg te zinken? Natuurlijk, schofferingen, heksenjachten en polarisatie horen ook in Nederland al sinds mensenheugenis bij het politieke bedrijf. Net als periodieke uitbarstingen van consensus en gezelligheid, overigens. Toch lijkt er nu wel iets bijzonders aan de hand. De slinger die van polarisatie naar consensus zwaait, lijkt uit het lood geslagen. De perioden van consensus worden steeds korter, de uitbarstingen in perioden van polarisatie steeds heviger. Er is een kracht aan het werk die het debat op magnetische wijze richting polarisatie trekt. Die kracht is de zwijgende meerderheid.

---

Het begrip ‘zwijgende meerderheid’ werd in november 1969 geïntroduceerd door de Amerikaanse president Richard Nixon in een televisietoespraak tot het Amerikaanse volk. Het woord ‘zwijgend’ had een drievoudige beketenis. Allereerst was het bedoeld om het contrast te schetsen tussen de luidruchtige Vietnamdemonstranten en de “grote zwijgende meerderheid” die inzag dat een land als Amerika de “hoop op vrede en vrijheid van miljoenen” niet zomaar kon laten vertrappen door het totalitaire Noord-Vietnamse regime. Het gebruik van de term ‘meerderheid’ diende er daarnaast ook toe om Nixons eigen positie te rechtvaardigen. De demonstranten, zo wilde hij duidelijk maken, spraken alleen namens zichzelf en niet namens het Amerikaanse volk.

Op een dieper niveau appelleerde de term ‘zwijgende meerderheid’ ook aan een diepgevoelde overtuiging onder Amerikaanse kiezers, namelijk dat de gemiddelde Amerikaan een stille kracht bezit die niet wordt opgemerkt door de spraakmakende klasse. Franklin Roosevelt tapte als eerste uit deze bron door zijn beleid af te stemmen op de ‘forgotten man’, de man die door Wall Street en Washington in de steek was gelaten in de donkere dagen van de Grote Depressie. Verheffing van deze klasse van vergeten Amerikanen was het expliciete doel van Roosevelts New Deal, een programma dat ook de inspiratie vormde voor de naoorlogse opbouw van onze eigen verzorgingssstaat. Nixons gebruik van de term zwijgende meerderheid was een bevestiging van zijn gewaagde electorale strategie, namelijk om FDR’s oude New Deal coalitie om te vormen tot een nieuwe Republikeinse meerderheid.

De maatschappelijke ontwikkelingen van het voorgaande decennium boden daar overigens alle ruimte toe. Toen de emancipatie van de arbeidersklasse begin jaren zestig voltooid was, ontstond een kloof tussen de nieuwe middenklasse van voormalige arbeiders en de progressieve elite die zich altijd had ingezet voor verbetering van hun lot. Het proces van embourgeoisement speelde ongetwijfeld een belangrijke rol. Met de nieuwe materiële welstand kwamen ook nieuwe zorgen en nieuwe aspiraties die niet altijd overeenkwamen met de zorgen en aspiraties van de sociaal-democratische beweging. Wie weinig heeft, denkt vooral in termen van solidariteit. Hij hecht aan klassieke sociaaldemocratische idealen als herverdeling van schaarse middelen en de creatie van een effectief vangnet van sociale verzekeringen. Eenmaal toegetreden tot de bezittende klasse heeft diezelfde persoon echter heel andere zorgen. Vrijheid wordt belangrijker, met name de vrijheid om in alle rust van het eigen bezit te kunnen genieten. Dat bezit moet daarbij tegen bedreigingen van buitenaf worden beschermd – bedreiging door de medemens in de vorm van criminaliteit en bedreiging door de overheid in de vorm van hoge belastingen en opdringerige regelgeving.

Terwijl de arbeidersklasse zo in rap tempo verburgerlijkte, groeide in sociaal-democratische kring het onbehagen over dezelfde welstand die de arbeidersklasse zich met graagte liet aanleunen. De kritiek op het consumentisme zou in de loop van de jaren zestig meehelpen om de kloof tussen sociaaldemocratie en voormalige arbeidersklasse nog verder te verbreden. Een derde constituerende factor van deze nieuwe kloof was de tegencultuur, die in de kern een ontkenning vormde van alles waar de verburgerlijkte arbeiders in geloofden: recht en orde, een gezond arbeidsethos, vaderlandsliefde, anticommunisme.

De groeiende kloof tussen de nieuwe middenklasse en haar oude politieke beschermheren schiep de ruimte voor een Republikeinse strategie om dit grote kiezersblok naar zich toe te halen. In The Emerging Republican Majority schetst een van Nixons adviseurs, Kevin Phillips, de contouren van deze strategie. Het nieuwe Republikeinse electoraat, zo stelde hij, woonde in de buitenwijken in plaats van de binnensteden, was afkomstig uit de geëmancipeerde arbeidersklasse en lagere (nieuwe) middenklasse in plaats van de hogere (oude) middenklasse en was mannelijk in plaats van vrouwelijk. De geografische locus van dit nieuwe Republikeinse electoraat was het zuiden en westen, niet de voormalige republikeinse bolwerken in het verstedelijkte noordoosten. Met behulp van een op deze uitgangspunten gebaseerde strategie slaagden de Republikeinen erin FDR’s New Deal coalitie te versplinteren. Ervoor in de plaats kwam een op de geëmancipeerde arbeidersklasse gebaseerde ‘laat me met rust’ coalitie – de zwijgende meerderheid.

---

Dezelfde sociale en politieke ontwikkelingen die in november 1968 Nixon het presidentschap bezorgden, vonden ook in Nederland plaats. In de dominante geschiedschrijving over de jaren zestig wordt aan deze ontwikkelingen over het algemeen weinig aandacht besteed. Historici als Hans Righart en James Kennedy richten hun lens vooral op de gebeurtenissen en trends die als beeldbepalend voor die periode gelden: de Provo-happenings, de rellen rond het koninklijk huwelijk in 1966 en de opkomst van Nieuw Links en (in mindere mate) D’66. Toch valt er wel degelijk een heel andere geschiedenis van diezelfde periode te schrijven, een die kijkt naar de rol van de zwijgende meerderheid als drijfveer voor ingrijpende sociale en politieke verandering. Zo’n alternatieve geschiedenis zou bijvoorbeeld moeten kijken naar naar het openbreken van het verzuilde omroepbestel door de nieuwburgerlijke Tros. Of naar de onstuitbare groei van de krant die zich wist op te werpen als spreekbuis van de zwijgende meerderheid, De Telegraaf. En naar de opkomst, bloei en ondergang van het eerste politieke voertuig voor de aspiraties van de zwijgende meerderheid, namelijk de Boerenpartij. Het is een niet minder revolutionair verhaal dan het gangbare verhaal, maar dan wel op een heel andere manier. De revolutie van de zwijgende meerderheid was erop gericht de eigen kernwaarden – vrijheid, zelfredzaamheid – op te leggen aan een in oude hiërarchische patronen vastgeroeste, verbureaucratiseerde samenleving.

Het verhaal van de Tros is vooral het verhaal van Cornels Verolme, de boerenzoon die het schopte tot scheepsmagnaat. In de vroege jaren zestig richtte hij met succes zijn pijlen tegen één van de grootste haatobjecten van de zwijgende meerderheid, namelijk het verzuilde mediastelsel. Hij investeerde in het REM-eiland, dat na enkele maanden van illegale uitzendingen middels een inval door mariniers en politie uit de lucht werd gehaald. In een van de laatste uitzendingen werd het publiek opgeroepen lid te worden van een nieuw op te richten Televisie Radio Omroep Stichting (TROS) die het systeem van binnenuit zou gaan bestoken. Binnen enkele weken hadden ruim 300 duizend mensen zich aangemeld, meer dan genoeg voor succesvolle aanvraag van de C-status binnen het verzuilde systeem.

Het enkele bestaan van de Tros was al een uitdaging aan het verzuilde systeem. Ook de programmering van de nieuwe omroep vormde, op haar manier, een uitdaging. Het niet-politieke karakter van de uitzendingen was een politiek statement aan al die media-activisten die de weinige beschikbare zendtijd wilden gebruiken om deze of gene misstand onder hun aandacht te brengen. De zwijgende meerderheid had geen behoefte aan dat soort wereldverbeteraarsgezeur. Ze wilde vermaak en niets meer dan dat. Het ‘laat me met rust’ credo goldt wat hen betreft dus ook voor de televisieprogrammering.

Voor de politieke inhoud was er immers iedere morgen De Telegraaf. Terwijl de krant van de socialistische zuil, Het Vrije Volk, door de verburgerlijking van de voormalige arbeidersklasse zijn oplagecijfers zag imploderen, groeide De Telegraaf als kool. De succesformule was simpel. De krant las de lezer niet de les, maar sprak hem aan op zijn instincten. De statutair vastgelegde onafhankelijkheid weerhield De Telegraaf er niet van openlijk partij te kiezen, niet zozeer voor deze of gene politieke partij, als wel voor zijn eigen lezerspubliek. De zorgen en verlangens van de zwijgende meerderheid waren ook de zorgen en verlangens van De Telegraaf. En dus voerde de krant openlijk campagne voor een strenge aanpak van criminaliteit, voor het behoud van het koningshuis, voor belastingverlaging, voor het afschaffen van bemoeizuchtige regelgeving en voor een pro-Amerikaanse, anticommunistische buitenlandse politiek. Dat daarbij vijanden werden gemaakt, was onvermijdelijk. De krant werkte dat ook in de hand door naar hartelust te polariseren. Hippies, provo’s en andere demonstranten werden weggezet als werkschuw tuig, pacifisten als landverraders en ambtenaren en politici als bemoeizuchtige betweters. Al even onvermijdelijk was het dan ook dat de krant door progressief Nederland werd uitgeroepen tot volksvijand nummer een. Het oorlogsverleden van De Telegraaf werd dankbaar gebruikt om de krant buiten de publieke orde te plaatsen – zonder succes uiteraard. Aan het eind van de jaren zestig was De Telegraaf uitgegroeid tot de grootste krant van Nederland, een status die het daarna nooit meer is kwijtgeraakt.

De Telegraaf speelde ook een belangrijke rol bij de lancering van de eerste politieke partij die zijn succes dankte aan de zwijgende meerderheid, namelijk de Boerenpartij. Het verhaal van de Boerenpartij begint in maart 1963 met de zogeheten ‘veldslag bij Hollandscheveld’. De lokale boerengemeenschap kwam in opstand tegen de inbeslagname van de bezittingen van drie boeren die weigerden de omstreden landbouwschapheffing te betalen. Het geweld waarmee de overheid de protesterende boeren tegemoet trad, wekte de woede van de zwijgende meerderheid – en van De Telegraaf, die in deze episode een schoolvoorbeeld zag van de overal oprukkende bemoeizuchtige, quasi-almachtige staat. Surfend op deze golf van verontwaardiging kwam de Boerenpartij twee maanden later vanuit het niets met drie zetels de Kamer binnen.

In Boer (Hendrik) Koekoek had de Boerenpartij een leider die gemaakt leek voor de nieuwe tijd. Zowel in vraaggesprekken als in de Kamer sprak hij de taal van het volk (zij het met een boerenaccent). Samen met zijn geneigdheid om op vragen een eerlijk antwoord te geven vormde het een nadrukkelijk contrast met de stoffige, regenteske retoriek van de gevestigde partijen. Het zorgde er mede voor dat Koekoeks partij in de daaropvolgende jaren uitgroeide tot de voornaamste spreekbuis van de zwijgende meerderheid. Koekoeks succes was ook te danken aan het feit dat hij een agenda wist te ontwikkelen die duidelijk verder keek dan alleen het boerenelectoraat. Thema’s als belastingverlaging en bestrijding van bureaucratische uitwassen, vaderlandsliefde en koningsgezindheid dedeen het goed bij de nieuwe middenklasse in de voormalige arbeiderswijken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 haalde de Boerenpartij zijn steun dan ook vooral uit de grote steden. In Rotterdam en Den Haag haalde de partij 7 procent, in Utrecht en Amsterdam bijna 10 procent. In Amsterdamse volkswijken als De Pijp en de Jordaan kwam de winst van Koekoeks partij vrijwel geheel bij de PvdA vandaan. De zwijgende meerderheid was ook in Nederland aan de lange oversteek van links naar rechts begonnen.

---

Wat Nixon in Amerika wel lukte, namelijk de zwijgende meerderheid permanent voor zich winnen en zo een geslaagde greep naar de macht doen, zou Koekoek in Nederland niet lukken. De verkiezingsresultaten van 1966 bleken achteraf bezien het electorale hoogtij voor de partij. De ondergang van de Boerenpartij liet zien dat de Nederlandse zwijgende meerderheid anders dan de Amerikaanse een aantal structurele problemen kende. In de eerste plaats was van een hechte meerderheid bepaald geen sprake. Koekoek zelf speculeerde graag over de ondergang van het oude verzuilde bestel, maar op korte termijn bleken de politieke scheidslijnen waarop dat systeem was gebaseerd sterker dan gedacht. Tussen oude en nieuwe middenklasse bleek het daarnaast niet echt te boteren. De oude middenklasse was het antirevolutionaire, bezadigde tegendeel van de sociaal dynamische, op onmiddellijke radicale verandering gespitste nieuwe middenklasse. Zonder rugdekking van de keurigrechtse, oudburgerlijke VVD kwam de Boerenpartij op rechts steeds meer alleen te staan in zijn roep om verandering. Niet minder vervelend voor Koekoek was dat op kritieke momenten ook De Telegraaf niet thuis gaf. De steun die na de veldslag van Hollandscheveld verleend was, bleek geen garantie voor de toekomst.

Terwijl Koekoeks opmars dus al was vastgelopen in een moeras van tegengestelde middenklassebelangen, riep zijn succes van 1966 ook een linkse tegenreactie op die uiteindelijk tot zijn ondergang zou leiden. De zorg over Koekoeks succes onder het eigen oude kernelectoraat hielp de progressieve geesten te concentreren. Met geslepen pennen trokken ze ten aanval tegen ‘de fascistische reactie’, daarbij geholpen door het feit dat in Koekoeks vergaarbakpartij inderdaad enkele voormalige NSB-ers zaten. Koekoek, die zelf overigens niets met extreemrechts te maken had, werd weggezet als leeghoofdige leider van een staatsgevaarlijke club. Het linkse bombardement zou zijn uitwerking niet missen. Onder invloed van de spanningen van het moment brak Koekoeks partij in de late jaren zestig in meerdere delen. De door Koekoek voorgezeten romp zou nog tot begin jaren tachtig in de Kamer zitten, vergeten door diezelfde zwijgende meerderheid die hem vijftien jaar eerder op het schild had gehesen.

---

Wie vanuit de ‘andere’ jaren zestig lijnen doortrekt naar het Nederland van vandaag, valt onmiddellijk enkele zaken op. Een zo’n vaststelling is dat de zwijgende meerderheid nooit een permanent politiek thuis heeft weten te vinden. Het is altijd een rusteloos zwervend volk geweest dat nu eens bij deze, dan weer bij die partij aanhaakte. Na Koekoek zouden verschillende politici door de zwijgende meerderheid op het schild worden gehesen. Willem Drees jr, Hans Wiegel, Ed Nijpels, Ruud Lubbers, Frits Bolkestein en Pim Fortuyn mochten zich allen kortere of langere tijd verheugen in de steun van deze grillige kiezersgroep. Geen van hen slaagde er echter in deze kiezers blijvend aan de eigen partij te binden. CDA en VVD probeerden het wel, maar hun verzuilde reputatie schrok de zwijgende meerderheid uiteindelijk teveel af. Nieuw-politieke initiatieven als DS’70 en LPF leken kansrijker, maar gingen uiteindelijk ten onder aan dezelfde problemen die ook Koekoeks Boerenpartij nekten – gebrek aan steun van De Telegraaf en van de oudburgerlijke rechtse partijen, onderlinge verdeeldheid en (vooral in het geval van de LPF) massale linkse aanvallen op hun stellingen.

Een tweede vaststelling is dat ongenoegen over progressief beleid en tegenculturele experimenten zich de afgelopen decennia heeft vermengd met frustratie over het onvermogen van de rechtse partijen om de revolutionaire aspiraties van de zwijgende meerderheid in daden om te zetten. Uit die cocktail is een cynisme ontstaan dat van de zwijgende meerderheid een instabiel element heeft gemaakt. Van tijd tot tijd leidt dat tot uitbarstingen, waarbij de Haagse politieke kaleidoscoop grondig wordt opgeschud. Zo gebeurde het in 1994, in 2002 en opnieuw in 2006.

Dit cynisme wordt overigens ook gevoed door de progressieve smaakmakende klasse, die geen gelegenheid voorbij lijkt te willen laten gaan om de zwijgende meerderheid tegen zich in het harnas te jagen. De verwijdering tussen voormalige arbeiderspartij en voormalige arbeidersklasse lijkt wat dat betreft compleet. Het gemiddelde lid van de zwijgende meerderheid, de jongere blanke middelbaar opgeleide man, wordt in uitspraken en geschriften van de progressieve spraakmakende klasse steevast neergezet als een achterlijke, om niet te zeggen verachtelijke persoon wiens opvattingen met alle middelen bestreden dienen te worden. Voor een fatsoenlijk publiek debat is een dergelijke progressieve opstelling uiteraard niet bevorderlijk.

Een derde vaststelling is dat de zwijgende meerderheid langzamerhand meer tot een aaneengesloten electoraal blok is uitgegroeid. De oude scheidslijnen, die voor Koekoek nog een onoverkomelijk obstakel vormden, hebben in de afgelopen veertig jaar duidelijk aan betekenis verloren. De oude middenklasse is gekrompen terwijl de nieuwe middenklasse sterk is uitgedijd. Daarnaast is ook de scheidslijn tussen christelijk en burgerlijk rechts langzaam aan het vervagen. De harde kern van verstokt christelijk of burgerlijk-rechtse stemmers is tegenwoordig niet meer dan 25 zetels. De andere 50 rechtse zetels komen van kiezers die net zo makkelijk CDA als VVD of TON of PVV stemmen. In plaats van de oude scheidslijnen is een nieuwe scheidslijn ontstaan, grofweg die tussen progressief en conservatief (in de Angelsaksische betekenis van het woord), ofwel tussen spraakmakende minderheid en zwijgende meerderheid. Zwevende kiezers blijken zich vooral binnen beide blokken te bewegen. Zwevers die van het ene blok naar het andere overspringen, zijn een uitzondering.

Het ontstaan van deze electorale blokken vergroot de kans op duurzame polarisatie van het publieke debat. Met het verval van de PvdA en de nog niet door commentatoren opgemerkte maar daarom niet minder reële neergang van de christendemocraten (in 1963 nog goed voor 76 zetels, nu in de peilingen net iets meer dan 30 zetels) is het Nederlandse politieke systeem bovendien zijn belangrijkste schokbrekers kwijtgeraakt. Het schept niet alleen ruimte voor de wilde electorale slingerbewegingen binnen beide blokken die wij de afgelopen decennia hebben gezien, maar ook voor de politieke scalpenjagerij waarover de in de openingsalinea genoemde commentatoren zich beklaagden. De frustratie over het ontbreken van een betekenisvolle keuze en het bijkomende gevoel dat er binnen het huidige meerpartijensysteem met zijn eindeloos wisselende coalities nooit werkelijk iets verandert, moet immers van tijd tot tijd worden afgereageerd.

De enige manier waarop deze neergaande spiraal verbroken zou kunnen worden, is als iemand het voortouw durft te nemen om het huidige vermolmde partijsysteem te vervangen door een stabieler twee-blokken systeem. CDA en VVD zouden met elkaar in overleg moeten treden over een duurzame rechtse lijstverbinding om zo de zwijgende meerderheid eindelijk een thuis te bieden. Een hoge kiesdrempel moet er daarbij voor zorgen dat ook de eigenzinnige rechtse splinterpartijen (Lijst Wilders, TON en, waarom ook niet, SGP) geen andere keuze hebben dan zich bij de lijst aan te sluiten. De politieke scalpenjagerij wordt er uiteraard niet voor altijd door uitgebannen – politiek roept nu eenmaal emoties op. Maar door de zwijgende meerderheid eindelijk een blijvend politiek thuis te bieden, is het wellicht wel mogelijk de krachten die deze klasse oproept enigszins te kanaliseren en in beleidsdaden om te zetten. Wie weet zijn dan op termijn zelfs Amerikaanse toestanden mogelijk, met een enthousiast electoraat dat in groten getale naar zijn politieke leiders komt luisteren omdat er – eindelijk – weer wat te kiezen valt.

Dit essay verscheen op woensdag 10 september j.l. in De Groene Amsterdammer

Luchtkasteel, ofwel: de dure moskee die een fata morgana blijkt

U kent ongetwijfeld het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer. Hij laat zich bedriegen door een paar slimme kleermakers die hem, in ruil voor een forse beloning, de meest fantastische gewaden beloven. Die kleren komen er niet, maar de keizer gaat liever naakt over straat dan toe te geven dat hij bedrogen is. Als we voor de keizer de gemeente Amsterdam invullen en voor de kleermakers de Turkse organisatie Milli Görüş, lijkt het sprookje verdacht veel op het verhaal van de Westermoskee.

Het begon allemaal toen Milli Görüş in de Amsterdamse wijk De Baarsjes een nieuwe moskee wilde bouwen. De Turkse vereniging verkocht het project als een essentiële bijdrage aan de integratie door te beloven dat de nieuwe moskee een bolwerk van de progressieve Islam zou worden. “In dit baken van moderniteit zal de vernieuwing van de Islam beginnen,” verklaarde Milli Görüş-directeur Haci Karacaer plechtig. De gemeente slikte het allemaal voor zoete koek. Een tikkeltje naïef natuurlijk, gezien de bedenkelijke extremistische reputatie van de Turkse organisatie en gezien het feit dat de Milli Görüş-moskee in Amsterdam ten tijde van de onderhandelingen dienst deed als illegaal wisselkantoor en spil in een dubieuze beleggingspyramide. De Turkse kleermakers hadden het woord ‘fraudeur’ op hun voorhoofd geschreven, maar de Amsterdamse keizer zag het niet, of erger: wilde het niet zien.

Nu was er bij aanvang van het project wel een probleem. Milli Görüş kwam namelijk twee miljoen Euro tekort om het project zelf te kunnen realiseren. De gemeente, die toch belastinggeld genoeg heeft, kwam uiteindelijk met een slim plan. “Als wij nu eens de bouwgrond voor twee miljoen meer dan de werkelijke waarde van jullie kopen? Dan kopen jullie het aan het eind van de rit voor de normale marktprijs weer van ons terug.”

Toen de contracten waren getekend en het geld overgemaakt, had Milli Görüş gek genoeg opeens veel minder haast met de bouw van de moskee. Het grote vertragen begon met een serie processen over allerlei interne aangelegenheden. De Duitse zusterorganisatie van Milli Görüş had, kort na het tekenen van de contracten, de zogenaamd liberale moskeebestuurders afgezet en vervangen door orthodoxe leden. Zonder duidelijkheid over de vraag wie er nu eigenlijk namens Milli Görüş mocht tekenen, konden er uiteraard geen bouwvergunningen worden afgegeven. Voordat het allemaal was opgehelderd, waren we alweer in 2007 beland. Al die tijd was er nog geen spade in de grond gegaan.

Inmiddels dreigde in hartje Amsterdam op kosten van de belastingbetaler een nieuwe radicaal-Islamitische moskee te verrijzen. Dat hadden de Amsterdamse bestuurders zich natuurlijk wel even anders voorgesteld. De derde partij in het contract, woningbouwvereniging Het Oosten, probeerde via een kort geding handhaving van de beloofde liberaal-islamitische lijn af te dwingen. Daar trapte Milli Görüş natuurlijk niet in. De woningbouwers werden met hun eigen westerse beginselen om de oren geslagen (scheiding van kerk en staat – daar hadden de bestuurders nog niet aan gedacht). Suggesties dat de gemeente het contract nietig zou verklaren, werden al even effectief afgeserveerd. Onder het motto “Dreigen kunnen wij ook, maar dan beter” suggereerde de nieuwe moskeevoorzitter Fatih Dag dat hij in dat geval op Al Jazeera alle in Europa woonachtige Turken zou oproepen tot een opstand. Geweldloos natuurlijk, maar zo zei hij er schouderophalend bij, “onze mensen zijn emotioneel en er kan zomaar een gek tussenlopen.” Opeens had in Amsterdam niemand het meer over het doorscheuren van contracten. In de tussentijd werd er ook in 2007 niets gebouwd.

Begin 2008 diende zich een volgend obstakel aan. Een omwonende wilde het project laten blokkeren. De bouw zou namelijk belangrijke archeologische schatten kunnen beschadigen. De woningbouwverenging vond het natuurlijk wel vreemd dat de man alleen maar Turks sprak. Wat weet zo iemand nu immers van de lokale geschiedenis? Maar ja, de tijd begon inmiddels te dringen. In het contract stond namelijk een opvallende clausule: als er op 1 januari 2010 geen definitieve bouwvergunningen zouden liggen, zou de bouwgrond eigendom worden van ... Milli Görüş. Om dat te voorkomen, greep men naar het grove geschut van de afkoopsom. Na betaling bleek overigens dat de klager buitengewoon vriendschappelijke betrekkingen met het moskeebestuur onderhield. Milli Görüş had dus in feite een bezwaarschrift tegen zichzelf ingediend – en in ruil daarvoor nog eens 120 duizend Euro ontvangen.

De Westermoskee is een luchtspiegeling gebleken. De door keizer Amsterdam gedroomde progressief-islamitische voorbeeldmoskee zal er nooit komen. Het begint er zo langzamerhand zelfs op te lijken dat er helemaal geen moskee komt. Milli Görüş maakt ruzie, uit bedreigingen en begint desnoods een procedure tegen het eigen project – alles om de zaak te vertragen. Aan het eind van de regenboog – of liever gezegd: op 1 januari 2010 – wacht immers de pot met goud. Zodra die datum bereikt is, verkopen de Turkse kleermakers ongetwijfeld de bouwgrond, stoppen de verdiende miljoenen (inclusief de al geïncasseerde 2,12 miljoen) in hun koffers en verdwijnen met de noorderzon. En keizer Amsterdam? Die staat weer eens in zijn nakie.

Deze column verscheen op 1 september j.l. in het maandblad Reader's Digest